Rudolf Bultmann (1884-1976), Het sprookje over de lach
Het sprookje over de lach
1916*
Nederlandse vertaling en bewerking:
Jos Augustus
Er was eens een jongen die Hans heette en altijd de geestigste jongen was van het hele dorp waar zijn ouders woonden. Van begin af aan was hij zo geweest. Want toen hij geboren werd en de buurvrouw de kleine jongen aan zijn vader wou laten zien en omhooghield scheen de ochtendzon bij zijn opkomst door het venster de kleine recht in het gezicht, zodat hij nieste en zijn gezicht in de lach schoot. Zo had hij het lachen eerder geleerd dan het huilen. En dat was altijd zo gebleven. Lachend stond hij ’s morgens op en lachend ging hij ’s avonds naar bed. En wanneer ’s nachts zijn moeder weleens bij zijn bedje kwam en toekeek hoe hij sliep lag hij daar altijd met zo’n stralend gezicht dat zijn moeder zei: ‘Nu droomt hij vast weer iets leuks. Ja, het is een echt zonnekind.’
Later, toen hij groot werd, moest hij molenaar worden en ging eerst bij een molenaar thuis in de leer en er was geen leerjongen die vermakelijker was dan hij. Toen de leertijd om was moest hij op zwerftocht, maar heimwee had hij nooit. Bij zijn afscheid huilde zijn moeder zo dat haar hart brak, maar Hans keek dubbel vermakelijk omdat nu de wijde wereld vóór hem lag, en met bloemen op zijn hoed trok hij zingend langs de straten. Waar hij maar voorbijkwam werd hij meteen goede maatjes en ’s avonds bij het dansen dansten alle meisjes met niemand zo graag als met hem omdat niemand zo hoog kon springen en geestig kon lachen als hij.
Op een avond op zijn zwerftocht had hij al een hele tijd door de bergen gelopen tot hij bij een molen kwam die heel eenzaam bij de ingang van een vredig dal lag. Dat was de dam-molen. Vóór de molen stroomde de beek zachtjes door een stille wei en aan beide kanten rezen de bossen op. Toen hij op het huis afstapte zag hij op de trap het mooiste meisje zitten dat hij ooit gezien had. Ze speelde met twee jonge katjes die grijs en wit gevlekt waren, het ene zat op haar schoot en speelde met haar vingers; het andere stond op haar rechterschouder, tegen haar haar aan gevlijd, en keek van bovenaf toe. Toen drong het meteen tot hem hem door: hier zou ik wel molenaarsgezel willen worden.
‘Goedenavond!’ zei hij met een lachend gezicht, ‘hoe heet je eigenlijk?’
Ook zij keek hem lachend aan en zei: ‘Liesbeth.’
‘Kunnen jullie niet een molenaarsgezel gebruiken die Hans heet?’ vroeg hij.
Toen lachte ze en zei: ‘Dat komt goed uit. Onze huidige gezel is net bij de soldaten gegaan en wij hebben een nieuwe nodig!’
Toen liep ze het huis binnen en zei het tegen haar vader en moeder.
En zo werd Hans molenaarsgezel in de dam-molen. En omdat hij zo vlug en behendig bij het werk was en de hele dag zong en floot en lachte viel hij bij de molenaarsmensen in de smaak. Maar nog het meest viel hij bij Liesbeth in de smaak die ook de hele dag zong en lachte zodat het tweestemmig door de molen galmde.
Toen dacht Hans: ‘Wat zou ik nog langer zwerven? Hier is het fijn; de molenaar is al oud en binnenkort zal iemand anders molenaar moeten worden. Dat zou ik weleens kunnen wezen en Liesbeth moet mijn vrouw worden!’
Op een zondagavond nu, toen hij achter het huis op de bank zat en uitkeek op de wei in het dal onder hem, zag hij dat ginds in de wei Liesbeth bloemen aan het plukken was. Hij stond op en liep naar beneden, het dal in, naar haar toe. ‘Mag ik je helpen?’ zei hij, en toen ze hem toelachte zocht hij de mooiste bloemen voor haar uit. ‘En nu moet je er een krans van vlechten’, zei hij. En ze gingen zitten aan de rand van het bos, hij reikte haar de bloemen aan en zij bond ze samen tot een kleurrijke krans en toen hij klaar was zette zij hem op zijn haar en keek Hans blij aan. En toen ze elkaar aankeken konden ze het niet langer houden en vielen elkaar ineens in de armen en kusten elkaar.
Daarna zaten ze stil naast elkaar en hielden elkaar bij de hand, Liesbeth keek zwijgend voor zich uit naar beneden maar Hans keek allervermakelijkst en moest zich inhouden om niet op te springen en luidkeels te juichen en te lachen.
Toen even later de zon onderging en alleen de toppen van de bomen die aan de overkant van de wei stonden nog steeds mooi rood verlicht waren, zongen alle vogels over en weer in de bossen nog eens met alle macht ten afscheid, zodat het luidkeels en lieflijk schalde door het stille bos. Liesbeth leunde haar hoofd tegen Hans’ schouder aan en zei: ‘Hoor je het, Hans? Zo hebben de vogels nog nooit gezongen! Ze zijn blij met ons en willen ons geluk toewensen namens het hele dal!’
En Hans lachte en zei: ‘O liefje, wat praat je toch geestig! Zo zingen ze toch elke avond al!’ Daarna zaten ze weer zwijgend naast elkaar en Liesbeth hield haar hoofd gebogen.
Langzaamaan echter hielden de vogels op met zingen, de laatste zonnestralen waren al verdwenen en het werd stil en donker en nu hoorde je het zachtjes kabbelen en ruisen van de beek in de wei. Alleen vanuit de verte klonk nog zo nu en dan vanaf de dijk de roep van een vuurbuikpad als een zilveren klok.
Toen hief Liesbeth haar hoofd op, keek Hans vragend en angstig aan en zei: ‘Hoor je het goed, liefste, wat de nacht tegen ons zegt?’
Maar Hans lachte weer en zei: ‘Ach liefje! Wat praat je toch geestig! Ik hoor de beek en ik hoor de vuurbuikpadden roepen!’
Dat gaf Liesbeth een klein steekje door haar hart omdat de oren van Hans niet open waren gegaan voor alle nieuwe stemmen die ze hoorde.
Toen het erg donker begon te worden begaven ze zich naar de molen en kijk, terwijl ze liepen fonkelde en flitste het daar overal vóór hen op de wei, dansten de stralende vonken door en om elkaar heen en vlochten lichtgevende kringen om de twee heen.
Toen pakte Liesbeth zijn hand stevig vast en zei: ‘Kijk eens, liefste! Nu zijn de sterren uit de hemel komen vallen, dansen ze op onze weg en willen ze ons laten zien dat het net lijkt of we in de lucht lopen!’
Maar Hans lachte weer en zei: ‘Ach liefje! Wat praat je toch geestig vanavond! Dat zijn immers glimwormpjes!’
Toen werd Liesbeth erg verdrietig. En toen ze aankwamen bij de molen en ze Hans haar laatste kus gaf stonden er tranen in haar ogen. Ze zei: ‘Goedenacht!’ en rende naar haar kamer.
De volgende dag waren er drie boeren met hun zakken vol graan naar de molen gekomen en er was veel te doen. Maar Hans floot en lachte zo geestig door de molen als nog nooit tevoren. Maar het was alleen maar zijn stem was die je hoorde, want Liesbeth was de hele dag stil en verdrietig. Hans kon haar altijd alleen even in het voorbijgaan op de huisvloer zien of op de trap en kon niet met haar praten. Maar ’s avonds, toen het molenrad stilstond, ging hij naar haar op zoek en toen hij haar in het hele huis niet vinden kon liep hij naar buiten, de wei in. Daar vond hij haar aan de rand van het bos en hoe ze onder een boom lag te snikken en te huilen.
‘Wat is er toch, liefste?’, vroeg hij. Maar ze gaf geen antwoord. ‘Kom, zeg het me alsjeblieft! Ik zal je helpen, liefste!’
Toen draaide ze haar betraande gezicht naar hem toe en zei: ‘Ach Hans, ik kan niet langer je liefste zijn!’
‘Wat is er dan?’ vroeg hij.
‘Ach Hans’, zei ze, ‘ik moet aldoor huilen. Zelfs lachen kan ik niet meer. En dan kan ik je liefste niet meer zijn!’
‘Ach liefste!’ lachte Hans, ‘wees maar gerust! Ik zal je tranen weglachen!’
‘Nee liefste’, zei ze, ‘dat gaat niet. Ik denk dat er vannacht, toen ik in mijn bed lag en aan gisteravond dacht, er ineens een grote grijze vleermuis met gloeiende ogen door het venster naar binnen vloog, recht naar mijn mond. Hij heeft mijn lach gestolen en is ermee weggevlogen. En nu moet ik aldoor huilen!’
Maar Hans zei: ‘Wees maar gerust, liefste! Die vleermuis zal ik wegjagen en jouw lach weer van hem afpakken! Morgenvroeg ga ik op weg.’
En de volgende ochtend heel vroeg, toen het nog donker was en de molenaar en molenares nog sliepen, stond Hans heel zachtjes op en begaf zich op weg.
De vogels in het bos waren net wakker en begonnen te tjilpen en Hans riep hun toe: ‘Hebben jullie soms de grote vleermuis gezien? Waar heeft hij zich verstopt?’
De vogeltjes riepen: ‘Nee, Hans, hier is ze niet; ze is ginds, die kant op gevlogen!’
En Hans liep de weg af die de vogels hem gewezen hadden en zwierf lang door bos en veld, maar nergens vond hij de vleermuis en niemand kon hem zeggen waar hij was.
’s Avonds, toen het al donker werd, kwam hij door een grote steengroeve. Daar zag hij vóór zich op de grond iets glinsteren dat zich bewoog en toen hij toekeek was het een grote vuursalamander, zwart met vuurrode strepen op zijn rug. Hij sloop langzaam en onhandig over de stenen en zocht zijn hol om te slapen. Maar omdat hij zo sloom over de stenen klauterde, er dikwijls naast stapte en naar beneden viel vond Hans dat zo geestig dat hij hard moest lachen.
Maar dat maakte de salamander heel erg kwaad, hij stopte met klauteren en zei: ‘Jij eeuwige lach-Hans! Stop toch eens met dat gelach! Jij hebt nog een veel langere weg te gaan dan ik!’
Toen moest Hans nog veel harder lachen en riep uit: ‘Wat weet jij eigenlijk van mijn weg, jij ouwe aardkruiper!’
Maar dat maakte de salamander nog kwaaier. Zijn ogen begonnen heel giftig te glanzen en hij zei: ‘Omdat ik zo klein en langzaam ben denk jij dat ik niet zou weten wat er in de wereld gebeurt? Ik heb veel scherpere ogen en betere oren dan jullie allemaal bij elkaar!
‘Zo zo?’ zei Hans, ‘dat is me wat! Zeg me dan maar eens waarnaar ik op weg ben!’
De boosaardige oude salamander lachte en zei: ‘Jij zoekt de lach van je liefste die de vleermuis gestolen heeft! Zie je wel, hihi! Maar die vind je toch niet en daarom zal ik je vertellen wie hem wel heeft! Het is de boze tovenaar Richard: die komt als vleermuis, steelt uitsluitend de lach van mooie meisjes en plant ze als bloemen in zijn tuin. Ook de lach van Liesbeth staat er al in en is een mooi blauw klokje! Hihi!’
‘Ach, alleraardigste salamander’, zei Hans, wil jij me dan de weg naar die tuin niet zeggen?’
‘Hihi!’, lachte de salamander, ‘die tuin ligt ver weg diep in de bergen waar de grote rivier vandaan komt. Maar je komt er toch niet in want je hebt de sleutel niet!’
‘Ach alleraardigste salamander’, smeekte Hans, ‘zeg me dan alsjeblieft ook nog waar die sleutel is!’
‘Ik zal het je zeggen’, lachte de salamander, ‘je vindt hem immers toch niet, hihi! Er zijn drie sleutels voor de tuin en de boze Richard heeft ze allemaal ergens anders verstopt. De eerste ligt onder de grote eik die op de open plek in het bos bovenop de berg staat, en die moet ’s nachts opgegraven worden bij volle maan tussen twaalf en één. De tweede ligt in het nest van de ijsvogel in een struik die boven de rivier hangt; maar daar leidt geen weg naartoe en de struik groeit uit een rots. De derde draagt een valk om zijn hals gebonden en die woont in de hoogste boom die op de hoogste berg staat bij de grote rivier. Maar jij vindt ze geen van drieën! Hihi! Want jij weet niet dat je één ding dan niet mag doen.’
‘Wat mag je dan niet doen? Ach goede salamander, zeg het me toch!’ smeekte Hans.
‘Nee’, lachte de salamander boosaardig, ‘dat zeg ik je niet want je hebt me uitgelachen, hihi!’, en met deze woorden was hij verdwenen alsof de aarde hem had opgeslokt.
Maar Hans dacht: ‘Ach wat! Eén van die drie sleutels zal ik toch wel vinden!’ en hij begaf zich op weg. En omdat het net volle maan was klom hij meteen naar boven het bos in en zocht de open plek waar de eik stond. Ook nam hij in het dorp vóór het bos, waar hij ’s avonds zat, een schop mee om te graven. Nu liep hij door het donkere bos. De steenuilen schreeuwden elkaar toe en toen hij tegen de bladeren stootte fladderden de vogels verschrikt op die er sliepen. Maar bang was hij niet. In de verte hoorde je het vanaf de kerktoren tien uur en elf uur slaan en hij zwierf op z’n gemak verder. Eindelijk, toen het twaalf uur sloeg, was hij op de grote open plek. Daar was het heel helder door de maneschijn en hij zag meteen de grote eik staan, liep erop af en begon te graven.
Nu zat er boven in de eik een oude uil, en toen Hans begon te scheppen begon die geweldig te schelden: ‘Wat doe jij daar, brutale lummel?’
Maar Hans liet zich niet weerhouden en gaf geen antwoord omdat hij wist dat je tussen twaalf en één de geesten niet mag storen.
En omdat hij niet luisterde naar het gescheld pakte de uil het anders aan en begon heel vriendelijk tegen hem te praten: ‘Wel, m’n beste Hans, jij zoekt zeker de gouden sleutel? Zal ik je zeggen hoeveel voet diep die wel niet begraven ligt?’
Hans draaide zich niet naar hem om maar groef ijverig verder tot het zweet op zijn voorhoofd stond. Toen hij al een heel diep gat gegraven had hoorde hij achter zich geritsel. Een vos kwam gehaast de weg afgelopen. Toen hij Hans zag graven stond hij stil en vroeg: ‘Waarheen leidt de weg naar de zeven holen waar de vossen een feest aan het vieren zijn?’
Hans gaf geen antwoord. Maar de uil kraste: ‘Daarheen, beste vriend!’ en hij wees de vos de weg langs de open plek.
De vos snelde ervandoor zodat de vonken ervan afspatten. Hans groef alsmaar verder en net stootte hij met zijn schop op iets hards en zag hij iets schitteren of er ritselde alweer iets, en hij zag hoe een kleine mol met moeite door het gras en de kruiden ploegde.
‘Goedenavond’, zei de mol, ‘waarheen leidt de weg naar de zeven holen waar de vossen hun feest aan het vieren zijn?’
Toen Hans weer geen antwoord gaf kraste de uil opnieuw: ‘Daarheen, beste vriend!’ en wees hem de weg langs de open plek.
‘Dankuwel, tante’, zei de mol. ‘Is de rode vos al voorbijgekomen?’
‘Jazeker, een kwartier geleden’, antwoordde de uil.
‘Zo zo’, zei de mol, ‘dan moet ik voortmaken zodat ik hem nog voor één uur inhaal’, en hij scharrelde verder.
Maar toen Hans hoorde dat de mol de snelle vos wou inhalen en zag hoe hij zo naarstig door het gras scharrelde moest hij hard lachen. Er klonk een grote donderslag. De gouden sleutel die op de grond schitterde was verdwenen en uit de kerktoren in de verte hoorde je het één uur slaan. Toen was het stil, alleen de uil bovenin de spar lachte boosaardig en akelig door de nacht. Maar Hans sprong boos uit zijn gat.
‘Ellendig mispunt! Ik sla je nog dood!’, riep hij uit en hij rende met zijn schop achter de mol aan maar kon hem nergens meer vinden.
Toen bleef hem niets anders meer over. Hij wierp de schop weg en ging moe onder de eik liggen en sliep in. De volgende ochtend, toen de zon op zijn gezicht scheen en de vogels al zongen, werd hij wakker. ‘Ach wat!’ zei hij en lachte. ‘Dit was nog maar de eerste sleutel. De tweede zal ik toch zeker vinden’, en hij begaf zich op weg naar de grote rivier.
‘Waar woont de ijsvogel?’ vroeg hij aan de vogels en de vissen. Maar de vogels wisten het niet en de vissen zwegen en konden het hem ook niet zeggen. En zo zwierf hij steeds verder langs het water en het werd al middag.
Toen zag hij aan de andere oever waar de rotsen steil omhoogrezen, uit de struiken die uit de rots groeiden, iets fonkelen en schitteren. Hij hield zich stil, bukte zich in het kreupelhout aan de oever en keek behoedzaam naar de overkant. Ja! Dat was de ijsvogel: duidelijk zag Hans zijn prachtige vleugels groen, blauw en goudglanzend schitteren en hoe hij zich spiegelde in het water. Toen liep hij snel nog een stuk verder stroomopwaarts, trok zijn kleren uit, zwom naar de oever aan de overkant en daar zwom hij stilletjes langs de rots, verscholen achter de overhangende struiken, tot hij bij de plaats kwam waar de ijsvogel zat. Die liet trots zijn prachtige gevederte schitteren in de zon en zong:
Über die Felsen geht kein Weg,
und über den Fluss führt kein Steg.
Kommt keiner zu mir,
und der goldene Schlüssel, die bleibt hier.
Langs de rotsen loopt geen weg
en langs het water leidt geen steg.
Ik ben alhier de portier
en de gouden sleutel, die blijft hier.
‘Ja, zing jij maar!’ dacht Hans en glimlachte stiekem, ‘zolang je denkt dat alleen jij kunt zwemmen!’ Hij hield zich vast aan een wortel aan de oever en wachtte tot de ijsvogel weg zou vliegen zodat hij naar boven kon klauteren en de sleutel uit het nest stelen. Maar toen de vogel klaar was met zijn liedje schoot hij omlaag en haalde met zijn snavel de gouden sleutel te voorschijn, hield hem vast in de zonnestralen zodat hij blikkerde en flonkerde. Daarna spiegelde hij zich in de rivier, draaide zich daarbij om en om, bracht vleugels en staart in beweging en genoot ervan hoe hij daar beneden in het water al zijn kleuren en al zijn goud zo mooi weerkaatst zag.
Maar toen Hans zag hoe de ijdele vogel zo potsierlijk op en neer vloog, er maar niet genoeg van kon krijgen om zijn eigen pracht te bewonderen en niet eens in de gaten had wie hem beloerde, moest hij eensklaps hard lachen. Dat had hij nauwelijks gedaan of de ijsvogel schrok, fladderde omhoog en liet de gouden sleutel in het diepe water vallen. Het plonsde een beetje, de druppels spatten in het rond en eventjes zag je door het heldere water nog net een klein geschitter – en hij was verdwenen. Hans liet zijn wortel los en dook kopje onder erachteraan, maar kon de sleutel niet meer te pakken krijgen. En hoe diep hij ook dook en hoe vaak hij het ook probeerde: het water was zo diep dat hij de bodem niet kon bereiken; ook de tweede sleutel was verdwenen.
Boos zwom Hans weer terug naar de andere oever, ging in het gras zitten, liet zich drogen door de laatste zonnestralen en dacht na over wat hij nu moest doen. Toen hij droog was trok hij zijn kleren weer aan en lachte: ‘Ach wat! Nu ga ik gewoon de derde sleutel halen!’ En hij begaf zich weer op weg, steeds verder stroomopwaarts waar de bergen steeds hoger werden. Drie dagen lang moest hij zwerven tot hij aankwam bij de hoogste berg, en toen hij helemaal naar boven geklommen was en voor de hoogste boom stond liep het al tegen de avond.
‘Dat komt goed uit’, dacht hij, ‘nu komt de valk dadelijk naar zijn nest en als het donker is en hij slaapt klauter ik naar boven en pak de sleutel.’
Hij wou onder de boom gaan zitten op een grote wortel. Maar toen hoorde hij een geweldig gesnurk onder de boom, en toen hij goed keek merkte hij hoe er onder de boom, de rots en ranken een enorm stoppelig hoofd verborgen zat. Hij stootte er met zijn voet tegenaan, de reus deed zijn ogen open en bromde: ‘Wie maakt mij hier wakker?’
‘Wie ben jij eigenlijk?’ vroeg Hans.
‘Ik ben de bergreus!’
‘En wat doe je hier dan onder de bomen?’
‘Ik moet het hele bos samen met alle bomen op mijn schouders dragen en de hoogste boom draag ik op mijn hoofd.’
‘Wat?’ riep Hans, ‘en dat wordt toch niet te zwaar voor je?’
‘Alsjeblieft zeg!’ zei de reus, ‘ik zit helemaal op mijn gemak in de berg en merk er niets van, ook al waren het nog honderd bomen en duizend rotsen meer: ze zouden me niet storen in mijn slaap.’
‘Dan mag ik vast wel op één van de wortels komen zitten?’
‘Dat kun je gerust doen’, bromde de reus. Hans ging dus zitten en wachtte. Het werd donker en Hans hoorde het ruisen in de toppen van de bomen en keek omhoog: daar kwam de valk terug van zijn vlucht en zocht naar zijn nest; de gouden sleutel zag je nog net schitteren in de laatste zonnestraal. Nu wachtte Hans tot de valk was ingeslapen.
Na een poos riep de reus ineens: ‘Au! Help me, Hans!’
‘Wat is er dan?’ vroeg Hans.
‘Er is een vlieg boven mijn linkeroog gaan zitten en wil daar overnachten. Hij is te zwaar voor mij! Ik kan hem niet langer dragen! Au! Au! Help me en jaag hem weg!’
Toen moest Hans hard lachen: ‘Wat ben jij een ouwe brombeer! Jij wil het hele bos en alle rotsen dragen en nu is een vlieg al te zwaar voor jou?’
Toen werd de reus heel nijdig: ‘Wat, jij dwaze gek! Jij zit me hier uit te lachen?’ schreeuwde hij, ‘wacht maar! Dit zal je nog slecht bekomen!’
En hij rekte zijn ledematen uit, schudde zijn hoofd zodat de aarde beefde en alle bomen ruisten alsof er een geweldige storm door de toppen ging. En met een kreet vloog de valk op uit zijn nest en je zag hem nog net wegschieten door de schemerige nacht.
‘Ik pechvogel!’ riep Hans uit en rende zo snel hij kon de berg af in de richting waarin hij de valk had zien vliegen. Maar toen hij beneden stond en het bos uit was wist hij niet meer waarheen. Het was donker en hij kon de weg niet meer vinden. Toen werd hij zo verdrietig als hij nog nooit geweest was, liet zich moe in het gras vallen en sliep in.
Maar de volgende ochtend stond hij op, rekte zijn ledematen uit, schudde zijn hoofd en lachte trots: ‘Ach wat! Dan kom ik maar zonder sleutel in de tovertuin!’
En weer begaf hij zich op weg en zwierf lang, heel lang langs de rivier tot die steeds kleiner werd en ten slotte nog maar een heel klein beekje was. Nu was hij in de donkere, steile bergen waar niemand woonde. En toen hij even naar beneden liep, een nauw dal in, zag hij tussen de donkere bomen, stil en grijs, een duister kasteel oprijzen. Toen wist hij: daar huist de tovenaar Richard. En hij klom de berg nog op, maar intussen werd het nacht en hij kon niets meer zien en moest wachten tot de volgende ochtend.
Vroeg in de ochtend, toen de eerste zonnestralen door de bomen vielen, begaf hij zich weer op weg en al spoedig kwam hij vanuit het hooggelegen bos bij het toverkasteel, en toen hij om het kasteel heenliep en de ingang zocht vond hij aan de andere kant vóór het kasteel een tuin die niemand in het donkere bos gezocht zou hebben. Die tuin was zo wondermooi als hij er nog nooit een gezien had. Duizenden mooie, tere bloemen schitterden er en Hans stond er helemaal in gedachten verzonken voor. Toen kwam er een zachte bries, en zodra die maar even de bloemen raakte en alle witte, blauwe en rode kelkjes, klokjes en sterretjes bogen en wiegden klonk dat als een zacht, teer gelach dat echter tegelijk verdrietig is.
Hans lette goed op en dacht na waarom hij gekomen was. Recht vanuit de tuin zag hij de mooiste blauwe klokjes schitteren en wiegen. Dat moest de lach van zijn liefste wel zijn. Maar zodra hij op de tuin afstapte zag hij dat een hoog traliehek van gouden stangen rond de tuin liep. Hij dacht niet lang na. Omdat hij geen sleutel had wou hij er gewoon overheen klauteren. Maar waar hij de gouden stangen ook vast wou pakken: ze brandden als vuur zodat hij zijn handen snel terugtrok. Hij probeerde het hier en daar maar overal was het hetzelfde: hij kon de tuin niet in. En toen hij zo vóór de tuin stond, de mooie blauwe klokjes nog maar een paar stappen van hem verwijderd zag en ze toch niet kon pakken, sloeg hij zich met zijn vuist op zijn voorhoofd en schold zichzelf uit:
‘Jij domme Hans! Je hebt alles verpest met je lach! Omdat je gelachen hebt moet je liefste nu aldoor huilen!’
En verdrietig zonk hij vóór het traliek neer op de grond en had er graag zijn hart voor gegeven als hij zijn liefste haar lach maar terug had kunnen geven. Toen hoorde hij naast zich een geruis en zag hoe er een vogel naast hem op de grond zat. Zijn vleugel was gewond en bloedde. De arme vogel fladderde en probeerde weg te vliegen maar kon het niet. Steeds weer probeerde hij het en steeds weer viel hij omlaag met een klaaglijke kreet. En daarna zag Hans hoe op de boom vlak daarnaast de jonge vogeltjes hongerig vanuit hun nest schreeuwden en wachtten op hun moeder die niet naar hun toe kon vliegen.
Toen kreeg hij medelijden met de arme gewonde vogel en hij sprak tot hem: ‘Jij arm dier! Jou vergaat het net als ik: allebei hebben we voor ogen wat ons het liefste is en we kunnen er niet bij.’ En hij pakte de vogel in zijn hand en aaide hem en begon van droefheid bitter te wenen.
Maar toen zijn tranen op de gewonde vogel vielen gebeurde er iets wonderlijks. De bebloede wond werd gezond en wel* en de vogel strekte zijn vleugels krachtig uit en steeg op, de hoogte in. Maar nu vloog hij niet eerst naar zijn jongen in het nest; hij vloog over het gloeiend hete traliehek heen recht op het blauwe klokje af midden in de tuin, brak het met zijn snavel af, daalde weer neer en liet de bloem bij Hans in de schoot vallen. Hans had toegekeken en wist niet of hij droomde of niet: maar toen hij de bloem had sprong hij op en haastte zich door het bos de steile berg af. Achter hem bliksemde en donderde het, want de boze tovenaar had in de gaten gekregen dat de bloem bij hem geroofd was, maar toen Hans de bloem droeg kon hij hem niets meer maken.
Hans haastte zich de hele weg terug waarlangs hij gekomen was. Langs de hoogste berg, langs de plaats waar de ijsvogel zijn nest had, langs de eik waaronder hij gegraven had, tot hij weer in de buurt van de dam-molen kwam. Maar de wonderlijke bloem bleef dag en nacht vers en verwelkte niet. En toen Hans de laatste top bereikte waar de weg langs liep zag hij onder de drie linden die daarboven staan zijn liefste, die verdrietig in de verte keek. Daar stond ze elke avond en keek naar hem uit. Maar toen ze hem zag aankomen stond ze stokstijf stil, legde haar hand op haar hart en kon geen stap naar hem toe zetten. Maar toen hij op haar toetrad en haar de blauwe bloem gaf vielen beiden elkaar om de hals en beiden huilden en lachten tegelijk.
* *
*
* Oorspr. titel: Rudolf Bultmann, ‘Das Märchen vom Lachen’, in: Wachen und Träumen, Märchen, Herausgegeben und eingeleitet von Werner Zager, Mit Zeichnungen von Urselies Till, Berlin, Wichern-Verlag, 2011 [2005], p. 23-44. Nederlandse bewerking: Jos Augustus.
* (Noot v/d vertaler.) Dat is nu het werk van de liefde, net als bij Godfried Bomans.
Reacties
Een reactie posten