Friedrich Schiller (1759-1805), Hoop - Hoffnung
Hoop De mensen praten en dromen zo cool Van betere komende dagen; Slechts één gelukkig en goudomrankt doel: Kijk, zie ze eens rennen en jagen. De wereld wordt oud en toch ook weer jong, Doch hoop op correctie is wat niemand verdrong. De hoop toch, zij biedt hem een levenskans, Door haar laat het kind zich reeds laven, De jongere lokt haar magische glans, Mét de grijsaard wordt zij niet begraven; Want eindigt in ’t graf zijn vermoeide loop, Zelfs op zijn graf nog plant hij – de hoop. Het is geen lege, flatterende waan, Product in het brein van domoren. In ’ t hart kondigt het luidkeels zich aan: Voor iets beters zijn wij geboren; En alwat de stem van binnenuit zegt, Geen hopende ziel die dát...