Erich Kästner (1899-1974), Wijsheid uit boeken - Weisheit der Bücher

 


Wijsheid uit boeken


In de hogere klassen van het gymnasium bracht een oude professor die alleen maar voordelen bezat ons de moderne talen bij. Goed, dat klinkt als moedwillige overdrijving. Maar het was zo. – Tenminste lijkt het op z’n plaats om deze onwaarschijnlijke leraar van een voetnoot te voorzien. Juist wonderen hebben namelijk bewijzen nodig.

Dus: deze professor was, om maar wat te noemen, jarenlang in Turkije geweest; en om een niet echt toereikende reden noemden wij hem ‘sjeik’. In Schotland had hij een of andere Shaftesbury opgevoed. Aan de Harvard Universiteit herinnerde men zich hem met genoegen en in Parijs was hij zowat thuis. Hij ging dus met goed recht door voor een man van de wereld; kon echter ook min of meer doorkneed zijn op dit andere gebied dat geen uitbreiding nodig heeft om groot te zijn: in de wereld van de hartstochten en teleurstellingen. In ieder geval lieten heel wat van zijn opmerkingen deze conclusie toe...

Kunt u zich nu een beeld vormen van de ‘sjeik’? Nog niet? – Dan dus nog iets extra: hij had een onbeschrijflijk onaanzienlijk voorkomen, was serieus de kleinste van de klas... Daarbij een sanguïnisch type dat als een elastieken bal door de rijen banken sprong. Hij was niet alleen de kleinste maar ook de jongste. Hij kon schitterend met zijn ogen rollen als hij aan het declameren was. Net als Job trok hij zich de haren uit het hoofd als hij ontevreden werd. En hoe vaak was het niet nodig dat hij zich de haren uit het hoofd trok! – Of hij stond soms stil naast één van de leerlingen uit de hoogste klassen, legde de hand op diens schouder en merkte dan iets op wat we nooit helemaal vergeten zijn.

Over één van die opmerkingen zal het hier gaan. – Tijdens één van de lesuren die er geen waren (of we nu Mérimée lazen of Meredith, Dickens of Verlaine zal niemand van ons nog weten), tijdens één van deze uren zei hij plotseling en bijna langs zijn neus weg: ‘Laat u zich niets wijsmaken! Wij doorsneetypes begrijpen het leven niet uit ervaring maar in boeken... Ook al zouden we de aarde exacter kennen dan onze jaszak! En ook al zouden we de hartstochten dagelijks en in harmonie aan ’t werk houden – de enige roman van een dichter is nuttiger voor ons dan drie Cook-reizen rond de wereld en tien liefdesaffaires met zo ongeveer dodelijke afloop. – Hiermee wil ik niet de spot drijven met uw verlangen naar het leven maar alleen de waarde van de grote romans in het passende licht gesteld hebben. U mag ’t van mij aannemen. Want ik heb wis en waarachtig niet alleen romans gelezen... Nou ja. Dixi. Giese, ga maar door!’

Niemand zal, naderhand, van ons verwachten dat we de ‘sjeik’ geloofden. Hij zelf zou ons dat kwalijk genomen hebben en gefoeterd hebben op ons gebrek aan temperament. – Nu, dit alles is lang geleden... Als studenten schreven we hem, telkens als twee van ons elkaar tegenkwamen, ansichtkaarten. En later? De mens staat als ondankbaar schepsel bekend. Maar gelijk heeft de ‘sjeik’ destijds gehad!

Toch bleef sommigen niet bepaald veel tijd over om romans te lezen. Sommigen kwamen om in de oorlog. Sommigen stierven in Davos, waar ook de pneumathorax hen niet meer kon redden. Eentje liep bij het hockey zijn tenen tot bloedens toe en stierf aan verkeerde behandeling. En nog eentje, de slimste van allemaal, schoot zichzelf dood. – Maar goed, de anderen bleven over; maakten mooie en lelijke dingen mee zoals het toeval het beschikte en noemden dat ervaring. Waarheden als koeien werden opnieuw ontdekt; gemeenplaatsen werden hardnekkig afgepast [geïnspecteerd, abgeschritten], Amerika en overspel, liefde en verandering van beroep, rijkdom en concoursen werden ‘ervaren’. Zoals je maaltijden tot je neemt werd het leven geaccepteerd. Het smaakte maar af en toe; verteerd werd het nooit. Zonder lang nadenken, onwillekeurig en aardig zo nu en dan. Zoals een normale stofwisseling het betaamt.

Vergaat iedereen ’t niet zo? Wie durft te beweren: hij zou zo ver van zichzelf afstaan dat hij zijn leven als een landschap overziet? Wie raadt de zin van deze dwaze serie toevalligheden die zijn bestaan uitmaken? Iedereen is doorgangsstation voor honderddduizenden ervaringen; het leven voltrekt zich onzichtbaar achter de schermen van de feiten.

Maar weinig mensen – ze zijn zelden en vroeger heetten ze dichters –, alleen zij zien in wat anderen gewoon overkomt. In hun romans heeft plotseling samenhang wat anders zijn verband mist; hier heeft zin wat zinloos leek. Toeval onthult zich als lot; uit de wirwar maakt de wet zich los; iets bijzonders wordt een symbool.

Wie zo’n boek leest voelt hoe de schellen hem van de ogen vallen. Hij wordt ziende. – Hij was maar de uitvoerder van zijn doen en laten; nu wordt hij hun peinzende toeschouwer. Hij leefde als schepsel; nu beleeft hij zijn schepping.

De ‘sjeik’ kende de aarde, en hij kende smart en geluk. En aan de dichters had hij te danken wat hij op z’n eentje niet bereikt zou hebben: bescheidenheid ondanks het geluk, opgewektheid ondanks de smart; intuïtie ondanks de avonturen. – Daarom adviseerde hij ons wat we niet hadden willen geloven: dat het leven in de boeken staat; dat anderen duiden wat ons overkomen was... Nu geloven we het.


Vertaling van: Erich Kästner, ‘Weisheit der Bücher’ [1926], in: dez., Interview mit dem Weihnachtsmann, Kindergeschichten für Erwachsene, Herausgegeben und mit einem Nachwort von Franz Josef Görtz und Hans Sarkowicz, München-Wien, Carl Hanser Verlag, 1998 [1927-1959], p. 95-98.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Jos Augustus, Schrijven over kunst

Fukushima, technocratie en een beetje filosofie