Jos Augustus, Schrijven over kunst
Schrijven over kunst is hachelijk. Bij kunstobjecten gaat het vooral om waarnemen. Wie over kunst schrijft heeft eigenlijk al de eenheid verbroken die de waarnemer met het door hem waargenomene, het kunstobject, verenigt.
Neem de schilder. Vaak wordt aangenomen dat hij iets ‘maakt’, iets ‘produceert’, wat daarna ‘het schilderij’ heet. Maar vóór hij begint is hij al een waarnemer. Ziet hij het landschap – bomen, struiken, een schuurtje, een mengeling van licht en schaduw – dan ‘kijkt’ hij niet zoals de natuurbeschermer, klimaatactivist of projectontwikkelaar: hij ziet de wisselwerking tussen de dingen zelf. Je kunt zeggen: hij laat zich door de dingen bekijken.
Dit heel langzaam plaatsvindende proces gebeurt zowel tussen de dingen daarginds in het landschap als in de ogen en het lijf van de schilder. De natuurlijkheid, lichamelijkheid of zelfs ondoordringbaarheid van de dingen herhaalt zich in die van de schilder, die niets anders doet dan waarnemen.
Het is door waar te nemen, dat de schilder dergelijke aspecten van de dingen bij zichzelf terugziet: de raadselachtigheid van de vormen, lijnen, bewegingen en gebeurtenissen wordt iets van hemzelf: hij wordt voor zichzelf een raadsel.
Natuurlijk is er allang naar het penseel gegrepen, werden technieken en stijlen eigen gemaakt, maar deze instrumenten ontlenen hun zin slechts aan de blik die de schilder, de waarnemer bij uitstek, over het door hem waargenomene laat waren, blik die zelf één is met de aan-blik waarin de dingen aan hem verschijnen.
Eenheid van de waarnemer en het waargenomene, herhaling van het raadsel van de dingen in de waarnemer: de schilder doorbreekt de traditionele tegenstelling tussen subject en object.
Schrijven over kunst? Het enige wat kan is beschrijven wat er in de kunst, dus in het landschap daar en in de schilder hier, gebeurt.
Ik bedank de redactie van Z! DeAmsterdamse Straatkrant hartelijk voor haar bereidheid om dit stukje onder de rubriek 'Kantlijn' op te nemen in haar nummer van zaterdag 16 augustus 2025 (jaargang 31, nummer 12). - Het werd geïnspireerd door drie filosofische teksten. (1) Maurice Merleau-Ponty, Oog en geest, Een filosofisch essay over de waarneming in de kunst, Met een voorwoord van Claude Lefort, Vertaald door Rens Vlasblom, Baarn, Ambo, 1996. De oorspronkelijke Franse tekst van dit essay werd postuum gepubliceerd in 1964. (2) Jacques Taminiaux, 'The Thinker and the Painter', in: dez., Poetics, Speculation and Judgment: The Shadow of the Work of Art from Kant to Phenomenology, Translated and Edited by Michael Gendre, State of New York, State of New York Press, 1993, p. 171-185. (3) Jacques Taminiaux, ‘A Phenomenological Look at Chinese Painting’, in: Études phénoménologiques, 1995, nummer 22, p. 81-95. De nummers (2) en (3) nemen het essay van Merleau-Ponty als uitgangspunt, maar laten bovendien zien hoe Merleau-Ponty met tal van vooroordelen breekt die van oudsher 'ingesleten zijn' in de westerse filosofie. Hoe? Door het essay van Merleau-Ponty enerzijds te plaatsen tegenover een westers-wijsgerige traditie waarin, sinds Plato en Descartes, de kunst slechts 'schijn' of visueel bedrog was, en door dit essay anderzijds in 'gesprek' te brengen met gedachten van schilders uit de Chinese kalligrafische traditie, zoals ze gebundeld werden door François Cheng in: Souffle-Esprit: Textes théoriques chinois sur l'art pictural, Paris, Éditions du Seuil, 2006 [1989].
* * *
Reacties
Een reactie posten