Posts

Jos Augustus, Schrijven over kunst

  Schrijven over kunst is hachelijk. Bij kunstobjecten gaat het vooral  om waarnemen . Wie over kunst schrijft heeft eigenlijk al de eenheid verbroken die de waarnemer met het door hem waargenome ne , het kunstobject, verenigt. Neem de schilder. Vaak wordt aangenomen dat hij iets ‘maakt’, iets ‘produceert’,  wat daarna ‘het schilderij’ heet. Maar vóór hij begint is hij al een waarnemer. Ziet hij het landschap – bomen, struiken, een schu urtje, een mengeling va n licht en scha duw – dan ‘kijkt’ hij niet zoals de natuurbeschermer, klimaatactivist of projectontwikkelaar: hij ziet de wisselwerking tussen de dingen zelf . Je kunt zeggen: hij laat zich door de dingen bekijken. Dit heel langzaam plaatsvindende proces gebeurt zowel tussen de dingen daarginds in het landschap als in de ogen en het lijf van de schilder. De natuurlijkheid, lichamelijkheid of zelfs ondoordringbaarheid van de dingen herhaalt zich in die van de schilder, die niets anders doet dan...

Friedrich Hebbel (1813-1863), Dood van een jochie

    Dood van een jochie Vanaf de berg het joch Klimt – wat dan nog? – Bij warme zomerdagen In ’ t dennewoud. Hij stopt: té lang gesjouwd Kan hij zich nét nog d ragen. Plots van zo hoog Krijgt hij in ’ t oog In ’ t dal een beek aan ’ t schuimen; Hij: grote dorst ,   Het is hem worst : Erheen ! Wie zou ’ t verzuimen! Eind ’ lijk een stroom! Ach, ’ t is een droom, Niets kan zó heerlijk blinken! Hij slurpt en d rinkt, Hij valt en zinkt En drinkt nog bij ’ t verdr inken! Het lied is uit , Ween jij nu luid ? Wie zal ’ t ook ’ s winters zingen! In zomertijd Ben je bereid ´t Joch achterna te springen . Knabentod Vom Berg der Knab ’ , Der zieht hinab In heißen Sommertagen; Im Tannenwald, Da macht er Halt, Er kann sich kaum noch tragen. Den wilden Bach, Er sieht ihn jach Ins Tal herunter schäumen; Ihn dürstet sehr, Nun noch viel mehr: Nur hin! Wer würde säumen! Da ist die Flut! O in der Glut, Was kann...

Eduard Mörike (1804-1875), drie gedichten

  Johannes Kepler Gister, toen ik vanaf ’ t nachtlijk leger de ster ginds in ’ t oosten Langdurig bezag, díe daar met dat roodachtig licht, En de man herdacht, die – om zijn banen te meten – Bekoord door de god, zich wijdde aan hemelse plicht, Met hardnekkige vlijt der armoe vinnige angel                Verzoenend, vergeefs, en verachtend: Mijn hart ontvlamde van weemoed bitter. Ach! dacht ik,                Wi s ten de hemelingen voor u, meester, dan geen beter lot? Zoals een dichter zijn held zich toch kiest, Homerus, door Achilles’                Godd ’ lijke adel geraakt, hem hoog prees in het lied, Zó schonk u gans aan ginds gesternte uw krachten,                Zijn machtige omloop was voor u één eeuwig lied. Doch dan bewéégt zich geen god va...

Rudolf Bultmann (1884-1976), Het sprookje over de lach

  Het sprookje over de lach 1916 *   Nederlandse vertaling en bewerking: Jos Augustus E r was eens een jongen die Hans heette en altijd de geestigste jongen was van het hele dorp waar zijn ouders woonden. Van begin af aan was hij zo geweest. Want toen hij geboren werd en de buurvrouw de kleine jongen aan zijn vader wou laten zien en omhooghield scheen de ochtendzon bij zijn opkomst door het venster de kleine recht in het gezicht, zodat hij nieste en zijn gezicht in de lach schoot. Zo had hij het lachen eerder geleerd dan het huilen. En dat was altijd zo gebleven. Lachend stond hij ’s morgens op en lachend ging hij ’s avonds naar bed. En wanneer ’s nachts zijn moeder weleens bij zijn bedje kwam en toekeek hoe hij sliep lag hij daar altijd met zo’n stralend gezicht dat zijn moeder zei: ‘Nu droomt hij vast weer iets leuks. Ja, het is een echt zonnekind.’ Later, toen hij groot werd, moest hij molenaar worden en ging eerst bij een molenaar thuis in ...