Eduard Mörike (1804-1875), drie gedichten
Johannes Kepler
Gister, toen ik vanaf ’t nachtlijk leger de ster ginds in ’t oosten
Langdurig bezag, díe daar met dat roodachtig licht,
En de man herdacht, die – om zijn banen te meten –
Bekoord door de god, zich wijdde aan hemelse plicht,
Met hardnekkige vlijt der armoe vinnige angel
Verzoenend, vergeefs, en verachtend:
Mijn hart ontvlamde van weemoed bitter. Ach! dacht ik,
Wisten de hemelingen voor u, meester, dan geen beter lot?
Zoals een dichter zijn held zich toch kiest, Homerus, door Achilles’
Godd’lijke adel geraakt, hem hoog prees in het lied,
Zó schonk u gans aan ginds gesternte uw krachten,
Zijn machtige omloop was voor u één eeuwig lied.
Doch dan bewéégt zich geen god van zijn gouden zetel,
– Tot lieflijk lied genegen – om te redden, naar omlaag
Voor wie de hogere macht de duistere dagen bestemd heeft,
Ook gij, sterren, roert nimmer één menselijk lot:
Gij drijft boven ’t hoofd van de wijze óf van de dwaze
Op uw zalige weg gelaten voorbij!
Johannes Kepler
(in proza)
Gisteren bekeek ik vanaf mijn nachtelijke sponde langdurig de ster in het oosten – díe daar met dat roodachtige licht –, en dacht aan de man die zich wijdde aan een hemelse plicht om daar de banen van te meten. Hij was immers bekoord door de god en met een hardnekkige ijver tevergeefs bezig de vinnige angel van de armoe te verzoenen en te verachten.
Toen ontstak mijn hart bitter van weemoed. ‘Ach!’, dacht ik, ‘wisten de hemelingen dan voor jou, meester, soms geen beter lot? Jij besteedde je krachten helemaal aan die ster zoals een dichter zijn held kiest, zoals Homerus, geraakt door de goddelijke adel van Achilles, deze hoog prees in zijn gezang. De indrukwekkende baan van die ster was voor jou één eeuwig lied. Doch op die manier komt geen enkele god uit zijn gouden zetel om, genegen voor lieflijk gezang, af te dalen en iemand te redden voor wie de hogere macht duistere dagen heeft voorbestemd. En ook jullie sterren worden nooit geraakt door een menselijk lot. Jullie drijven passief voorbij op je gelukzalige weg, boven het hoofd van de wijze of van de dwaze!’
Johann Kepler
Gestern, als ich vom nächtlichen Lager den Stern mir in Osten
Lang betrachtete, den dort mit dem rötlichen Licht,
Und des Mannes gedachte, der seine Bahnen zu messen,
Von dem Gotte gereizt, himmlische Pflicht sich ergab,
Durch beharrlichen Fleiß der Armut grimmigen Stachel
Zu versöhnen, umsonst, und zu verachten bemüht:
Mir entbrannte mein Herz von Wehmut bitter; ach! dacht ich,
Wußten de Himmlischen dir, Meister, kein besseres Los?
Wie ein Dichter den Helden sich wählt, wie Homer von Achilles´
Göttlichem Adel gerührt, schön im Gesang ihn erhob,
Also wandtest du ganz nach jenem Gestirne die Kräfte,
Sein gewaltiger Gang war dir ein ewiges Lied.
Doch so bewegt sich kein Gott von seinem goldenen Sitze,
Holdem Gesange geneigt, den zu erretten, herab,
Dem die höhere Macht die dunkeln Tage bestimmt hat,
Und euch Sterne berührt nimmer ein Menschengeschick;
Ihr geht über dem Haupte des Weisen oder des Toren
Euren seligen Weg gelassen dahin!
Op het graf van Schiller’s moeder
Cleversulzbach, in mei
Naar de rand van ’t dorp vaak, daar waar hekwerk, veroud’rend,
Land’lijke graven omringt, daar trek ik in eenzaamheid heen.
Zie de verzonken heuvel; de oudste grijsaards zelfs kennen
Hem amper nog, niemand vermoedt hier een heiligdom.
Elke versiering ontbreekt en elk aanwijzend teken;
Schamel beschuttend spreidt een boom zijn armen rondom.
Wilde roos slechts! jou vind ik, andere bloemen verzaken;
Ja, maak ze beschaamd, kom als een wonder te voorschijn!
Met duizenden blaadjes open je hart! barst schitterend los
Met de bezielende geur die uit de diepte jij haalt!
Een onsterfelijke: zíjn moeder ligt hier begraven; marmer nog net:
Duitsland’s mannen en vrouwen richten dát voor hem op.
Auf das Grab von Schillers Mutter
Cleversulzbach, im Mai
Nach der Seite des Dorfs, wo jener alternde Zaun dort
Ländliche Gräber umschließt, wall ich in Einsamkeit oft.
Sieh den gesunkenen Hügel; es kennen die ältesten Greise
Kaum ihn noch, und es ahnt niemand ein Heiligtum hier.
Jegliche Zierde gebricht und jedes deutende Zeichen;
Dürftig breitet ein Baum schützende Arme umher.
Wilde Rose! dich find ich allein statt anderer Blumen;
Ja, beschäme sie nur, brich als ein Wunder hervor!
Tausendblättrig eröffne dein Herz! entzünde dich herrlich
Am begeisternden Duft, den aus der Tiefe du ziehst!
Eines Unsterblichen Mutter liegt hier bestattet; es richten
Deutschlands Männer und Fraun eben den Marmor ihm auf.
Troost
Ja, mijn geluk, ’t allang gewone,
Eind’lijk heeft het mij verlaten!
– Ja, mijn beste vrienden zie ik
Schoud’rophalend van mij wijken,
En de welgezinde goden,
Die mijn beste steun ooit waren,
Keren spottend mij de rug toe.
Wat beginnen? Of ik dan soms,
– Mijn levensdag verwensend –
Snel naar gif en mes zal grijpen?
God bewaar me! Liever zal ik
Stil mijn hart tot kalmte manen.
En aldus sprak ik mijn hart toe:
Laat ons vast elkaar vertrouwen!
Want wij twee kennen elkander,
Zoals de zwaluw toch haar nest kent,
Zoals de cither kent zijn zanger,
Zoals zwaard en schild elkaar herkennen,
Schild en zwaard elkaar beminnen.
Zulk een paar, wie scheidt ons nog?
Ik had dit woord nog niet gesproken
Of mijn hart sprong op in m’n boezem,
Dat daareven nog geweend had.
Trost
Ja, mein Glück, das lang gewohnte,
Endlich hat es mich verlassen!
– Ja, die liebsten Freunde seh ich
Achselzuckend von mir weichen,
Und die gnadenreichen Götter,
Die am besten Hülfe wüßten,
Kehren höhnisch mir den Rücken.
Was beginnen? Werd ich etwa,
Mein Lebenstag verwünschend,
Rasch nach Gift und Messer greifen?
Das sei ferne! Vielmehr muß man
Stille sich im Herzen fassen.
Und ich sprach zu meinem Herzen:
Laß uns fest zusammenhalten!
Denn wir kennen uns einander,
Wie ihr Nest die Schwalbe kennet,
Wie die Zither kennt den Sänger,
Wie sich Schwert und Schild erkennen,
Schild und Schwert einander lieben.
Solch ein Paar, wer scheidet uns?
Als ich dieses Wort gesprochen,
Hüpfte mich das Herz im Busen,
Das noch erst geweinet hatte.
Reacties
Een reactie posten