Fukushima, technocratie en een beetje filosofie

 

Enkele overwegingen bij Retour à Tomioka: Une histoire de Laurent Galandon, Dessin Michaël Crouzat, Couleur Andrès Garrido Martin et Clara Patiño Bueno, Éditions Jungle, 2024.


Retour à Tomioka


1

Alvorens dit beeldverhaal te laten beginnen brengen de makers ervan hun lezer/tjes op de hoogte van de barre feiten.


‘Op 11 maart 2011 vindt er een geweldige onderzeese aardbeving plaats over de volle lengte van Japan, die een verwoestende tsunami teweegbrengt langs bijna 600 km kustlijn. Deze natuurramp veroorzaakt weer een andere waar, ditmaal, de mens de hand in heeft: het falen van het koelsysteem van de kerncentrale van Fukushima. Dit falen brengt meerdere explosies met zich mee alsmede de massieve uitstoting van schadelijke radioactieve stoffen. Een deel van de bevolking van de prefectuur van Fukushima wordt dan geëvacueerd. De gevolgen van deze dramatische gebeurtenissen zijn vandaag de dag nog steeds talrijk.’


Le 11 mars 2011, un violent séisme sous-marin a lieu au large du Japon, engendrant un tsunami dévastant près de 600 km de côtes. Cette catastrophe naturelle en provoque une autre, qui porte cette fois la main de l’homme: la panne du système de refroidissement de la centrale nucléaire de Fukushima. Cette dernière entraîne plusieurs explosions, ainsi que le rejet massif de substances radioactives nocives. Un partie de la population de la préfecture de Fukushima est alors évacuée. Aujourd’hui encore, les conséquences de ces événéments dramatiques sont nombreuses.’ (Laurent Garandon e.a., Le retour à Tomioka, p. 4)


En de Japanse regering? ...Doet niets. Of zij, d.i. behalve de betrokken politici ook de hen influisterende economen en/of wetenschapsbeoefenaren en hun technocraten, wentelt zich, willens en wetens en op z’n vroegst vanaf de negentiende eeuw, in belangen. 

(Voor wie over deze situatie meer wil weten kan met vrucht de volgende twee zeer sympathieke werken raadplegen: Alex Kerr, Dogs and Demons: Tales from the Dark Side of Japan, London etc., Penguin Books, 2001; dez., Hidden Japan: An Astonishing World of Thatched Villages, Ancient Shrines and Primeval Forests, Tokyo etc., Tuttle Publishing, 2023.)


2

Straks ga ik in op het beeldverhaal zelf. Maar ik geef er de voorkeur aan om hier eerst en ter opfrissing van ons geheugen in de vorm van drie citaten en één term een beetje achtergrond te laten volgen. Toegegeven, geboden ‘slechts’ door filosofen, filosofen die bovendien – 'collectief geheugen' voor, 'collectief geheugen' na – vrijwel in ’t vergeetboek zijn beland. De drie citaten refereren aan oorlogen, het eerste met name aan Vietnam, het derde aan twee Wereldoorlogen en het tweede vermoedelijk aan alle drie, terwijl het in ons geval – de twee natuurrampen daargelaten – om Fukushima, een ‘vredelievende’ technocratie gaat. Toch zal de lezer/es ’t niet de minste moeite kosten om de geografische namen voor elkaar in te wisselen.


‘In Vietnam heeft zich de irrationaliteit van het absolutisme van de wetenschappelijke rationaliteit gemanifesteerd. Wetenschappen zijn vormen van rationaliteit, ongetwijfeld! Zij laten objectieve zin verschijnen, ongetwijfeld! Maar wat voor zin? Als wetenschappen zin stichten, waar komt dan de weerzin vandaan die wij ervaren in het contact met de onzin, die Vietnam was en nòg is? De Vietnamese oorlog werd gevoerd, voorgelicht door de wetenschappelijke rationaliteit van bêta- en gammawetenschappen. Het resultaat is, bij velen, weerzin om de onzin.’ (W. Luijpen, ‘Menselijkheid en geweld’, in: Vietnam, wetenschapsbeoefening en maatschappelijke verantwoordelijkheid, Symposium Katholieke Hogeschool Tilburg 7-8 november 1973, 1973, p. 1.)


‘In deze eeuw is een ontwikkeling tot voltooiing gekomen, waarbij de geleerde de eigenlijke oorlogvoerder geworden is.’ (Bernard Delfgaauw, De wijsbegeerte van de 20e eeuw, 19728 [1957], p. 100)


‘De macht [of: het vermogen, of: de kunde. J.A.] van de rationaliteit? Je zou ongetwijfeld beter moeten spreken van haar onmacht’ [of: van haar onvermogen, of: van haar onkunde. J.A.]: om de hartstochten en dwaasheden te beheersen van de mens van de twintigste eeuw, om leiding te geven aan de Staten en om de planeet op weg te zetten naar een duurzame en definitieve vrede, om de technisch-wetenschappelijke vooruitgang te sturen, om onbetwistbaar haar eigen wezen alsmede haar verhouding tot het zijn en tot de waarden vast te stellen.

[...] Eerste Wereldoorlog: 8 miljoen 700.000 doden; Tweede Wereldoorlog: 40 miljoen. In Hitler’s kampen: rond de zeven miljoen slachtoffers. In Stalin’s kampen: dertig miljoen volgens Solzjenitzyn. Het onberekenbare zit ’m daarin, in de op zichzelf verschrikkelijke en bespottelijke getallen die, met hun vermeende neutraliteit, de ondraaglijke implicaties van deze gebeurtenissen camoufleren. Het onberekenbare schuilt ook, wat nog ernstiger is, in ons onvermogen om dat, bij gebrek aan beter, anders uit te drukken dan met behulp van getallen.’

Een honderdtal bladzijden verder voert de schrijver van deze regels de term ‘Le technicisme comme techno-discours’ in, uitdrukking die misschien vertaald zou kunnen worden met ‘technocratie als technocratisch taalgebruik’.


‘La puissance du rationnel? Il vaudrait sans doute mieux parler de son impuissance: à maîtriser les passions et les folies de l’homme du xxe siècle, à gouverner les États et guider la planète vers une paix stable et définitive, à conduire le progrès scientifico-technique, à établir indiscutablement sa propre essence ainsi que sa relation à l’être et aux valeurs.

[...] Première Guerre mondiale: 8 millions 700 000 morts; Seconde Guerre mondiale: 40 millions. Dans les camps hitlériens: autour de 7 millions de victimes; dans les camps staliniens: 30 millions selon Soljenitsyne. L’inculable est là, dans les chiffres mêmes terribles et dérisoires, qui masquent de leur prétendue neutralité l’insupportable entaille de ces événéments. L’incalculable se loge aussi, plus radicalement, dans notre connaissance à dire cela autrement que par des chiffres, faute de mieux.’ (Dominique Janicaud, La puissance du rationnel, Paris, Gallimard, 1985, p. 9, 49 en 100-102)


55 jaar vóór de woorden van Janicaud, in 1930, heeft ook de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset het gangbare wetenschapsbedrijf aangeklaagd. Want, zegt hij onder meer: ‘De wetenschap van de staathuishoudkunde (la Economía política) is uit de oorlog [de Eerste wereldoorlog. J.A.] even gehavend voor de dag gekomen als de economie van de oorlogvoerende naties zelf’ (‘Misión de la universidad’, in: Obras Completas, IV, Madrid, Revista di Occidente, 19574 [1947], p. 329; Nederlandse vertaling: De taak van de universiteit, Voorwoord K. Wiersma, vertaling G.J. Geers, Den Haag, H.P. Leopolds Uitgeversmaatschappij, 1959, p. 41). En 52 jaar daarvoor, in 1933, heeft dezelfde filosoof indringend gewaarschuwd voor tecnicismo (‘Meditación de la téchnica’, in: O.c., V, Madrid, Revista di Occidente, 19584 [1947], p. 317-370; Franse vertaling: Méditation sur la technique, Traduit de l’espagnol par David Uzal, Paris, Éditions Allia, 20192 [2017]).


Iedere weldenkende filosoof – onnozele humanisten en christenen worden hier niet aangesproken – zal het wel uit zijn/haar hoofd laten om te spreken van ‘een moreel probleem’. En waarom? Omdat het precies een ‘het altijd weer goed bedoelende’, al dan niet door wetenschap en techniek voorgelichte moraal is die de implicaties van zijn eigen handelen niet ‘ziet’, niet ‘overziet’, ‘ontgaat’ of voor die implicaties eenvoudigweg blind is (W. Luijpen, D. Janicaud, M. Merleau-Ponty, H. Vos).


‘Maar er zijn toch ook goede, d.i. niet falende, nuttige, efficiënte kerncentrales!’ hoor ik velen onze vier filosofen en, met hen, schrijver dezes geruststellen. Wie zal, filosoof of niet, deze evidentie ontkennen? Ook discussies over het verschil tussen zuivere en toegepaste wetenschap hebben hier ongetwijfeld hun relatieve bestaansrecht. En tenslotte: emancipatie van wetenschap en techniek uit hun mythische oorsprongen? Ja, ja en nogmaals ja! Maar onze filosofen en, met hen, schrijver dezes laten zich ook dan nog niet geruststellen, want het is het bewustzijn van de ‘het altijd weer het beste met zichzelf en ons voorhebbende’ moraal van de modernste wetenschapsbeoefenaren en technologen met hun oudste en nieuwste snufjes waaraan de, niet zelden indirecte, implicaties van hun intenties en het daaruit volgende handelen ontgaat. ‘Want wat ik niet bedoel kan toch een implicatie zijn van wat ik bevestig’ (Luijpen). Ook de genoemde evidentie, ook de genoemde discussies en ook de genoemde, alleszins toe te juichen emancipatie zullen de impasse, gesignaleerd door ons viertal filosofen, niet kunnen wegnemen. En filosofen zijn nu eenmaal per se, namelijk uit hoofde van hun, toegegeven, narrige roeping technisch-wetenschappelijke leken. Ze zijn dat niet omdat ze minder weten‘ - ons viertal bewijst dat het exact op de hoogte is van de feiten -, maar omdat ze iets expliciet doen wat technologen en wetenschapsbeoefenaren niet of hoogstens impliciet doen: zich bezinnen. En dat betekent hier: dat ze zich bezinnen op een impasse die verdergaat dan de beste technisch-wetenschappelijke kennis en ook verdergaat dan de beste moraal.


Na deze ernstige woorden is het niet overbodig om op nog iets anders opmerkzaam te maken. Elke, maar dan ook elke impliciete of expliciete vorm van ‘apokalypsitis’ of ‘doemdenken’ staat gelijk aan een drogreden die erom schreeuwt ontmaskerd te worden. Dat heeft iedereen al ooit, in latere of in dezelfde jaren als waarin ons viertal filosofen het woord nam, van Van Kooten & De Bie kunnen leren, maar ook dit viertal is wat dit betreft niet op zijn achterhoofd gevallen.

Het is niet voor niets dat de al enkele malen genoemde Janicaud aan het slot van zijn La puissance rationnel gewezen heeft op drie factoren die weerstand bieden aan ‘de macht van de rationaliteit’: de ethiek, de politiek en de poëzie hij vat deze drie termen op in de breedst denkbare betekenis van deze woorden. En in dezelfde geest heeft Janicaud’s Belgische collega en vriend Jacques Taminiaux nog in één van de laatste artikelen voor zijn dood na herinnerd te hebben aan het woord van Churchill: Experts should always be on tap but never on top ('experts moeten altijd ter beschikking staan maar nooit beschikken over het bevel') – het belang onderstreept van het openbare gesprek, van de publiekelijke, door niemand en niets in te perken beraadslaging over en uitwisseling van woorden en daden. Dit was de tweede herinnering van Taminiaux al vanzelfsprekend in en rond de oude Griekse tragedie waar iedereen, ook slaven en vrouwen, vrij en gratis toegang toe had (financiering geschiedde door beter gesitueerden). Noch Janicaud, noch Taminiaux heeft ook maar gedácht aan een of andere inner ethical, political of poetical circle of ‘denktank’; beiden doelen eenvoudig op een - allesbehalve utopische - open samenleving van kritische, zélf oordelende burgers die zich wat de experts, zeker als ze on top staan of menen te moeten staan, hen ook mogen influisteren en eender welk risico ’t ook insluit niet laten bedillen, bedotten of insnoeren maar, waar minimaal noodzakelijk, weerloos, beschermd door een constitutionele democratie én deze beschermend, de straat opgaan. Slechts twee voorbeelden namens vele die de stellingen van Janicaud en Taminiaux zouden kunnen illustreren zijn de Duitse Omas gegen Rechts of de inwoners van Istanbul die zich verzetten wanneer hun burgemeester wederrechtelijk zijn ambtsuitoefening en academisch getuigschrift ontnomen wordt. Alleen al het feit van deze en dergelijke acties weerleggen de idée-fixe van ongeacht welke vorm van apokalypsitis. Ook in de Japanse samenleving is dit natuurlijk niet anders die eveneens, gelukkig, wel iets anders en iets meer is dan een politieke elite die zich - zoals al eerder opgemerkt - willens en wetens door wetenschapsbeoefenaren en hun technocraten laat bedienen als door zijn hofhouding.


3

En nu ons beeldverhaal.

Het doel ervan is primair gelegen in de bewustwording van kinderen (‘voor kinderen van 9 tot en met 12 jaar’) en lijkt dit doel bereikt te hebben (het werd beloond met de ‘Prix Jeunesse’; op het moment waarop deze woorden geschreven worden is, in het land waar de geschiedenis zich afspeelt, de Franse uitgave uitverkocht nog eer de vertaling in de taal van dat land verschenen is).

Hoe luidt ons beeldverhaal?

Woonachtig in de radioactief besmette prefectuur van Fukushima, na de rampspoed (-en) intussen verworden tot zoiets als een spookgebied, ontdekt Osamu, een kleine Japanse jongen wiens ouders tijdens de tsunami verdwenen zijn, op een goede dag dat Bâ-chan, zijn opa, onverwachts duizelig wordt en komt te overlijden, om onverklaarbare redenen. Deze Bâ-chan bezat van oudsher een boerderij iets buiten Tomioka, een stadje, gelegen in dezelfde prefectuur. (Je zou die verwording een beetje kunnen vergelijken met die bizarre spookstadjes in de Amerikaanse Nevada die ik ooit heb mogen bezoeken, al zijn dat de overblijfselen van iets beduidend onnozelers, de negentiende-eeuwse gold rush.) Jarenlang had Bâ-chan in de buurt van het genoemde Tomioka zijn koeien, varkens en schapen gekoesterd. Meteen doet Osamu er alles, maar dan ook alles aan om de urn, gevuld met de as van zijn opa en gecompleteerd met een foto, voorzien van een stijlvol rouwlint, in zijn rugzak terug te brengen naar Tomioka waar zijn oma al begraven ligt, en zich voor dit doel door niemand en niets te laten weerhouden: niet door Sanae en Seichii, zijn huidige verzorgers, niet door de politie, niet door ontsmettingsverantwoordelijken en hun razendsnelle technologieën, niet door grillige weersomstandigheden, niet door agressieve honden van een dadelijk te vermelden, locale boer. Politie en verantwoordelijken achtervolgen Osamu aldoor met auto’s en een helikopter, maar zonder hem tijdig en om begrijpelijke redenen: het gebied is nog steeds radioactief besmet in de kraag te kunnen vatten. In weerwil van dit alles onderneemt de jongen, samen met Akiko, zijn zusje, de precaire reis. Precair? Soms moet hij bijvoorbeeld zijn telefoon uitzetten of uit handen geven om zijn achtervolgers op afstand te houden. Na lange omzwervingen en avonturen bereiken de dappere kinderen eindelijk hun doel, niet zonder de hulp van meerdere, buitengewoon geduchte maar ten slotte toch één welwillende yôkai, niet zonder de hulp van een locale boer die – hoewel al met een niet meer te genezen kanker in zijn lijf – de vermoeide kinderen eten, drinken en slaapzakken aanbiedt maar ook van hen steun krijgt bij het kalven van een koe. En niet zonder de hulp van ...witte vlinders.

Het verhaal begint op de dag waarop, terwijl Osamu net de badkamer wil verlaten, een even klein als vervaarlijk wezentje zich omhoogwurmt uit de stop van de badkuip, de latere yôkai...

 

Mijn Japanse vrienden ben ik zeer erkentelijk omdat ze zo vriendelijk zijn geweest me op mijn verzoek wat toelichting hebben gegeven bij dit ontroerende verhaal, zowel wat de in het boek gerapporteerde rampspoed (-en) en hun sociaal-politieke gevolgen als wat de genoemde zo zonderlinge yôkai betreft. I believe still in them! houdt een van hen me naar aanleiding van die laatste voor... Them? Wie them? Yôkai blijken legendarische, in de Japanse cultuur heel vertrouwde wezens te zijn, voor mensen nu eens angstaanjagend, dan weer hen welwillend gezind, even onvoorspelbaar, wisselvallig en eenmalig als iedere (on-) alledaagse gebeurtenis. Dit karakter vertonen ze ook in de lotgevallen van Osamu in Retour à Tomioka.

Een beetje toelichting kan hier nuttig zijn. 

Yōkai, 妖怪, are strange, supernatural creatures and phenomena from Japanese folklore. The word is a combination of the characters (attractive, bewitching, calamity) and (kaimystery, wonder). [...] Are ghosts yôkai? [...] Can good spirits be classified as yôkai or are they only evil spirits? Are kami yôkai? Does yôkai only apply to Japan, or does it apply to all countries? Every rule has an exception, and every answer has a contradiction.’ (Matthew Meyer, yokai.com, ‘Introduction to Yôkai. What Yōkai Are/Aren’t’’, geraadpleegd op 15 maart 2025)

Stel nu eens even dat dit Japanse belief in yôkai geen technisch-wetenschappelijk geloof zou zijn, d.i. überhaupt geen ‘geloof’ of vertrouwen in een louter technisch-wetenschappelijke rationaliteit. Is dit Japanse belief dan per se, uitsluitend of dus een irrationeel, kinderachtig geloof in sprookjes? Is dit belief soms gewoon een ‘wraak’, genomen door de allang met tal van listen overtroefde mythische oorsprongen van de moderne wetenschappen en technieken? Of... stel nu eens  even  dat dit belief een kinderlijkheid zou zijn die zo rijk is dat alle op hun mondigheid prat gaande wetenschappen en technieken daar eenvoudig niet aan kunnen tippen? Zou dit belief dan misschien kunnen herinneren aan een ‘waarheid’ die de technisch-wetenschappelijke waarheid nooit en te nimmer zal kunnen inhalen? Stel nu eens dat dat zo zou zijn, dan zou die ‘waarheid’ inderdaad geen technisch-wetenschappelijke waarheid zijn maar een ‘existentiële’, een ‘persoonlijke waarheid’. Tua res agitur: ‘het gaat om jou’. Stel nu eens dat dat zo was? Dan zou het Osamu zijn die dat goed begrepen heeft.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Jos Augustus, Schrijven over kunst