Shusaku Endo (1923-1996), Araki Thomas
Araki Thomas
De enige overgebleven informatie over Araki Thomas, de Japanse man die in de zeventiende eeuw in Rome had gestudeerd, bestaat uit een paar korte artikelen die gevonden kunnen worden in enkele verslagen over Japanse christenen gedurende de periode van het isolement. Zelfs datum en plaats van zijn geboorte zijn onzeker. Hoewel zijn doopnaam Thomas bekend is, blijft zijn echte Japanse naam tot op de huidige dag een mysterie. Een aanzienlijke hoeveelheid onderzoek werd gewijd aan christelijke priesters en theologiestudenten die gemarteld werden om hun geloof, zij die afvielen werden in hoge mate genegeerd. Dat komt vermoedelijk omdat de missionarissen en Romeinse autoriteiten uit die tijd zoveel mogelijk geprobeerd hebben informatie te verbloemen en te verbergen over hen die de naam van de Kerk hadden bevlekt.
Volgens de ene theorie was Thomas een afstammeling van Araki Murashige, die gedood werd op verdenking van opstand tegen Oda Nobunaga. Ondanks het advies van Hashiba Hideyoshi was Murashige gedoemd ten onder te gaan tegelijk met de Itami-burcht, maar zijn overlevers vluchtten naar Kumamoto in Kyushu.
Een andere theorie denkt dat Araki Thomas gelinkt was aan Araki Shutaro, de handelaar uit Nagasaki die op die manier betrokken was bij de schepen die concessies gekregen hadden van het shogunaat. Shutaro was geboren in Kumamoto in Higo, en hoewel hij begonnen was als samurai ging hij naar Nagasaki en werd een stedeling. Later was hij betrokken bij handel met Siam en Annam.
Hoe dan ook, duidelijk is dat Thomas opgevoed werd in Kyushu, als kind gedoopt werd – vandaar de doopnaam Thomas – en een katholieke opvoeding gekregen heeft uit de handen van Europese priesters.
Er bestaat geen verslag over waar hij theologie heeft gestudeerd, hoewel ’t niet al te moeilijk is om dat te vermoeden. In die tijd was de priester Valignano vanuit Macao naar Japan gekomen om toezicht te houden op de verspreiding van het evangelie in Japan. De dringende behoefte beseffend om enige inheemse clerus te vormen, had hij een tweetal theologische colleges of seminarios opgericht. Die twee colleges, het ene in Arima in Kyushu, het andere in Azuchi aan de kust van het Biwa-meer, bleven intact tot de grote vervolging van het christendom in 1614 begon – zij het niet zonder hun aandeel in moeilijkheden en tegenspoed. Vermoedelijk heeft Araki Thomas in het seminario in Arima zijn studies gevolgd.
Momenteel is aanzienlijke informatie beschikbaar over het seminario in Arima. De aanvankelijke toelating van studenten was tweeëntwintig, en die studenten werkten in een voormalige boedddhistische tempel die geschonken was door de Heer van Arima. Daar studeerden ze niet alleen Portugees en Latijn – dat voor hen noodzakelijk was om voor wijding in aanmerking te komen – maar een elementaire cursus in godsdienststudies, ethiek, Japanse literatuur en kalligrafie. Voor het fysieke welzijn van de studenten werden ook een sportterein en een zwembad aangelegd. Tot de afgestudeerden van dit college behoorden mensen als Kimura Sebastian, die later op dezelfde manier tot de brandstapel werd veroordeeld als de tweeëntwintig christenen die op de heuvel van Nishizaka in Nagasaki werden gemarteld. Daarnaast waren er mensen zoals de priester Kibe Kasui, die net als Araki Thomas voor studie naar Rome werd gestuurd, maar bij zijn terugkeer gearresteerd en aan een wrede dood onderworpen werd door meerdere dagen achtereen ondersteboven in een kuil te zijn opgehangen.
Vandaag de dag is, op de top van de heuvel waar voorheen de Arima-burcht had gestaan, een eenzaam Shinto-schrijn alles wat er overgebleven is. De burcht stond kennelijk recht op de top van de heuvel, en het gerucht ging dat het seminario zo’n honderd meter lager stond – de plek is nu teruggebracht tot rijstvelden. Als je op een herfstdag op de top van de heuvel staat kun je duidelijk de velden zien die zich helemaal uitstrekken tot de Zee van Ariake en, daarachter, tot het plateau van de Hara-burcht, de haard van de Shimabara-opstand van 1637.
In die tijd zouden de afgestudeerden van het seminario de buitenlandse missionarissen bijstaan die, terwijl ze hun ambt uitoefenden onder de titel van irmaos of doshuku, nog altijd moeite hadden met de taal. Zij die de gelofte hadden afgelegd om hun hele leven aan het dienen van God te wijden werden irmaos, een soort monnik, genoemd, en van hen werden alleen de allerbesten tot de rang van een volledig gemachtigd priester bevorderd. De anderen uit de categorie van de doshuku legden deze gelofte niet af, maar namen de taak van de verspreiding van het evangelie in de seculiere wereld voor hun rekening. Niettemin schoren ook zij hun hoofd, droegen zwarte kleren en woonden binnen de domeinen van de kerk. Of Araki Thomas een irmaos of een doshuku geworden was kan niet worden uitgemaakt.
Tot het jaar 1587 bleef het evangelie in een gestadig ritme over heel Japan verspreid worden, ondanks incidentele achterstelling. Oda Nobunaga, die van een tolerante houding tegenover het christelijk geloof blijk gegeven had, stierf in Honnoji om opgevolgd te worden door Toyotomi Hideyoshi. Ook hij knoopte vriendschappelijke betrekkingen aan met de missionarissen en meerdere krijgers uit zijn omgeving werden bekeerd tot het geloof. Ten gevolge daarvan ontwikkelde het christendom zich tot een soort van mode. Araki Thomas was één van dit nieuwe slag intellectuelen die in die periode in Japan opkwamen, hij had Latijn en Portugees gestudeerd en verwierf een oppervlakkige vertrouwdheid met ethiek en met de fundamenten van de godsdienststudie. Het is onduidelijk of hij met de buitenlandse missionarissen in Kyushu of in de streek van Kansai samenwerkte, maar in die tijd moet hij, overal waar hij kwam, een gevoel van trots als intellectueel ervaren hebben.
Gedurende diezelfde periode was er een man, Sanemon genaamd, die in de provincie Settsu woonde. Het is onbekend of hij tot de samurai behoorde of tot de klasse van de stedelingen. Hij beleed een geloof in het boeddhisme maar ontwikkelde, diep getroffen door een toevallige waarneming van de levensstijl van enkele leden van de franciscaner gemeenschap, een interesse voor het christendom, de dominante invloed op hun leven, en besloot in Nagasaki de ins en outs van het christendom te gaan bestuderen.
In Nagasaki was ’t niemand minder dan Araki Thomas die leiding gaf aan de studies van Sanemon. In tegenstelling echter tot Thomas, die het geloof uiteindelijk zou afzweren en een van de afvalligen zou worden, veranderde Sanemon zijn naam in Sanemon Johannes en werd gemarteld met drie slagen van het zwaard op het executieterrein in Omura. Niettemin was er, zoals uit het voorbeeld van Sanemon kan worden opgemaakt, een tijd waarin Araki Thomas er schik in had zijn leven te wijden aan de verspreiding van het evangelie.
In juli 1587 echter werd aan de vooralsnog onafgebroken verspreiding van het christelijk geloof een onverwacht halt toegeroepen. Hideyoshi, die tot dat moment een tolerante houding tegenover het geloof had getoond, vaardigde plots een anti-christelijk edict uit. Tot op de huidige dag blijven de redenen voor deze omzwenking in ’t duister. Het jaar daarvoor, ter gelegenheid van zijn audiëntie bij de beroemde priester pater Frois en de waarnemend bisschop Coelho in Osaka, was Hideyoshi nog hooggestemd geweest en had hij zelfs zijn intentie uitgesproken om, na de onderwerping van Kyushu, Nagasaki te schenken aan de jezuïeten. De missionarissen trachtten tevergeefs de redenen te begrijpen van deze abrupte ommezwaai. Als je het verbodsedict zorgvuldig leest is alles wat je aantreft een reeks ambivalente uitspraken over de manier waarop Japan, het land van de goden, uit christelijke landen aspecten van hekserij overgenomen had en hoe die gebruikt werden om schrijns en tempels te verwoesten.
Haastig moesten tegenmaatregelen worden uitgevoerd. In het edict was een clausule opgenomen die inhield dat geen enkele preister nog in Japan mocht blijven, dat ze allemaal binnen twintig dagen het land moesten verlaten. Kortom, alle missionarissen moesten uitgewezen worden. Er bestond weinig twijfel over dat ’t de bedoeling was om de colleges in Azuchi en Arima, bestemd om inheemse priesters op te leiden, te sluiten. Als een wanhopige maatregel besloot pater Valignano, de toezichthouder op het christendom in Japan, een nieuw theologisch college te bouwen in Macao en de Japanners daarheen te zenden.
Het moet omstreeks deze tijd zijn geweest dat Araki Thomas Japan verliet en naar Macao ging. En toch kan, hoewel de namen van praktisch alle Japanse studenten die aan het college in Macao gestudeerd hebben bekend zijn, de naam van Araki Thomas nergens gevonden worden. Omdat hij al opgeleid was in het Latijn en Portugees zagen de priesters vermoedelijk geen noodzaak om hem vast te houden in het college. Ze hadden besloten een meer belangrijke rol aan hem toe te vertrouwen. Vooruitlopend op de dag waarop het verbodsedict opgeheven zou worden, besloten ze zijn horizon te verruimen door hem zijn studies te laten voortzetten bij enkele geleerde priesters. Hij moest dezelfde theologie en wijsbegeerte gaan studeren als die in het Westen werd gestudeerd.
Op deze manier werd Araki de eerste Japanse student die naar Europa ging. Zeker, er waren tenminste vijf Japanners die hem naar Europa waren voorgegaan. De eerste van hen was een man genaamd Bernard ‘Die en die’ uit Kagoshima die door Franciscus Xaverius eerst naar Goa en daarna naar Lissabon werd vergezeld. De andere vier waren de zogenaamde ‘Tensho-afgezanten’ – vier jongemannen die naar Rome gingen, een brief bij zich dragend van hun christelijke daimio of feodale heer in Kyushu. Maar Bernard werd ziek en stierf in Lissabon en de vier jonge afgezanten waren met een duidelijk omlijnd doel gestuurd. Zij gingen niet naar Europa om hun studies voort te zetten. En dus was strikt genomen Araki Thomas de eerste Japanse student die in Europa ging studeren.
Araki verliet Macao op een schip op weg naar Goa in India. Die stad was zowel de Portugese basis in het Oosten als de plaats waar S. Franciscus Xaverius verbleef, terwijl deze plannen maakte voor de voortzetting van zijn missiewerk in Japan. De huizen in de stad verrieden aanzienlijke Europese invloed, en daar werden missionarissen naar zowel India als het Verre Oosten verzameld.
Daar ontving Araki het eerste nieuws over zijn vaderland. De onderdrukking van het christendom in Japan was steeds intenser geworden, en in Nagasaki waren zesentwintig priesters en andere gelovigen ter dood veroordeeld. In Nishigaoka in Nagasaki waren zes missionarissen, inclusief pater Baptista uit de franciscaner orde, samen met twintig Japanse gelovigen op de brandstapel gezet. Araki kende pater Baptista. En er waren nog anderen onder de martelaren die hij in het verleden de gelegenheid had gehad te ontmoeten. Enerzijds was hij stiekem dankbaar dat hij uit zo’n land had kunnen ontsnappen, maar tegelijkertijd moet hij zijn eigen toekomst onder ogen hebben gezien, want het was de bedoeling dat hij op een dag zou terugkeren. Maar die terugkeer naar Japan lag nog in de verre toekomst. Tegen die tijd zou de situatie ongetwijfeld veranderd zijn.
Vanuit Goa waren er twee wegen om naar Europa te reizen. Eén optie was om naar Ormoez bij de Perzische Golf over te steken – de route die door Kibe Kasui gekozen was, die later gemarteld zou worden – en je daar aan te sluiten bij een van de karavanen die vanuit Palestina naar Italië zou oversteken. In het andere geval kon je kiezen voor de zeeroute, aankomen in Portugal en dan naar Rome oversteken. Het zou blijken dat Araki die laatste route koos.
Er bestaat geen verslag van Araki’s handelingen voorafgaand aan zijn aankomst in Rome, maar het is bekend dat hij in 1600 of 1601 Italië bereikt moet hebben. Voor de eerste Japanse student was dat zowel een gunstig als een ongunstig tijdstip om Rome te bereiken. In die tijd bestond er immers een soort ‘Japan-hausse’ in christelijke kringen in Europa. Het was nog maar tien jaar geleden dat de ‘Tensho-afgezanten’ helemaal uit Japan gekomen waren en een zo enthousiast welkom te beurt gevallen waren in heel Italië, voorafgaand aan hun vertrek naar Lissabon. De vurigheid die de afgezanten bij de Europeanen gewekt hadden moest nog gaan luwen. De mensen in Rome hadden nog altijd het beeld voor ogen van de vier jonge afgezanten, die op het geluid van trommels achter de cavalerie en pauselijke officials aanliepen, geflankeerd door bisschoppen en aartsbisschoppen. Op dat moment waren mensen op straten en pleinen toegestroomd als mieren en was een regen van toejuichingen vanaf de vensters en balkons op de jonge afgezanten neergedaald. Toen ze op het Sint Pietersplein aangekomen waren was een artillerie-saluut zowel vanaf het Vaticaans Paleis als vanaf Castel Sant’ Angelo tot wijd in de omtrek te horen. Toen ze knielden had Paus Gregorius XIII zich neergebogen en op al hun voorhoofden een kus geplant. Vanuit Rome waren ze naar Venetië doorgereisd en daarna naar Milaan – en overal waar ze kwamen werden ze tijdens een triomfantelijke plechtigheid verwelkomd. Er waren er zelfs die, in een roes van extase, hun kleren kusten. In Venetië werd de boot van de afgezanten geëscorteerd door een massa gondels die ceremonieel waren uitgedost, en het toneel werd geschilderd door de beroemde kunstenaar Tintoretto.
Zelfs nadat de afgezanten naar huis waren teruggekeerd bleven in Europa een golf van nieuwsgierigheid en een vastberadenheid om het evangelie te verpreiden in Japan bestaan, als gesmolten lava die nog blijft stromen nadat een vulkaan opgehouden is uit te barsten. De Sociëteit van Jezus beweerde dat ze nooit zo’n hectische periode had gekend toen blijken van hen die naar Japan wilden gaan alsmaar binnenstroomden. Ook in deze tijd werden beroemde werken geschreven zoals Degelman’s A History of Missions to the East en aartsbisschop Theotonio’s Correspondence from the Society of Jesus in Japan.
Toen hij uiteindelijk in Rome aankwam, uitgeput van zijn lange en inspannende reis, kon Araki een dergelijke toestand in de Kerk zich amper hebben voorgesteld. Aanvankelijk was die voor hem een bron van grote vreugde, maar hij realiseerde zich nog niet dat dit algauw het zaad van een grote, ongelukkige last zou worden. Juist omdat hij Japanner was werd hij omringd door mensen die hun dromen van een verspreiding van het evangelie in Japan op hem projecteerden.
In het geval van Kibe Kasui, die ongeveer tien jaar later ook voor studiedoeleinden naar Rome kwam, werd later een consciëntieuze poging gedaan om eer te bewijzen aan de naam van de man die later een martelaar werd, en als zodanig bestaan er aanzienlijke verslagen. Zijn schoolrapporten uit het door hem bezochte Collegio Romano (de moderne Gregoriana-Universiteit) zijn bewaard gebleven en er bestaan heldere verslagen over waar hij zijn opleiding ontving en wanneer hij later priester werd. In het geval van Araki Thomas, de afvallige, zijn dit soort verslagen echter spaarzaam. Wel is bekend dat tijdens zijn verblijf in Rome besloten was dat hij toegelaten werd tot de rang van priester, en men neemt aan dat ook hij het Collegio Romano bezocht en daar zijn examens afgelegd heeft.
Op basis van één specifiek verslag dat overgeleverd is is ’t ook gemakkelijk om een idee te krijgen van wat voor soort leven hij in Rome geleid heeft: ‘Kardinaal Roberto Belamino hield van Araki meer dan van wie ook – zozeer dat ze elke dag het dagelijks gebed zouden reciteren.’
Dit is een waardevol verslag, want in die tijd stond Belamino in christelijke kringen zowel bekend vanwege zijn geloof als vanwege zijn eruditie. Hij was zowel een priester als een geleerde, en bijgevolg werd hij door Paus Pius XI heiligverklaard. Voor zo’n kardinaal, die zelfs in het Vaticaan beroemd was, was ’t een ongeziene eer om met een eenvoudige theologiestudent en priester het dagelijks gebed te reciteren.
Waarom kon Araki Thomas zich dus in deze uitzonderlijke positie verheugen? De reden hiervoor is duidelijk. Dat was omdat hij Japanner was… omdat hij de enige Japanner was die in die tijd in Europa studeerde. Iedereen was diep onder de indruk van het feit dat deze jongeman uit het eiland in het Verre Oosten dezelfde godsdienst bestudeerde als zij zelf. Geïnspireerd door het voorbeeld van S. Franciscus Xaverius, vormden meerdere jonge missionarissen die door een hartstochtelijk verlangen gedreven werden om het evangelie in Japan te helpen verspreiden een constante stroom van bezoekers, allemaal even nieuwsgierig om meer te weten te komen over de toestand in het Verre Oosten. En de andere gelovigen, die in deze Japanse student de vervulling van hun eigen persoonlijke dromen zagen, nodigden hem geregeld bij hen thuis voor de maaltijd uit.
Hoe meer hij echter hun vriendschap en hun verwachtingen genoot, hoe melancholischer Araki Thomas werd. Hoewel hij bij zichzelf de vrome houding haatte die hij aangenomen had tegenover kardinaal Belamino, was hij zich bewust van zijn eigen onvermogen om de welgemeende vriendschap af te wijzen waarmee hij omringd werd.
De affectie en vriendelijkheid die de mensen uit Rome hem stilaan betoonden ontwikkelde zich tot een zware last. Hij werd er moe van om een houding aan te nemen die aan hun verwachtingen beantwoordde telkens als hij in hun gezelschap was – en om van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat een glimlach op zijn gezicht te forceren.
Araki begon aan het Japan te denken waarnaar hij binnenkort zou terugkeren. Hij kon het nieuws niet vergeten over de zesentwintig martelaren dat hem in Goa bereikt had. Wat bij hem meer dan wat ook verbazing over hen wekte was dat onder hun getal pater Baptista en andere christenen waren die hij persoonlijk gekend had. Hij had de gelegenheid gehad om over de zesentwintig te praten met Miki Paulus, een afgestudeerde van het college in Azuki, en met pater Baptista die bij tijd en wijle naar het seminario van Arima gekomen was. Ook hij zou ongetwijfeld op dezelfde manier worden geëxecuteerd. Zou hij de dood kunnen aanvaarden zoals zij hadden gedaan?
Toch was er niemand in Rome die een vermoeden had van de geheimen die Araki bezighielden. Toen het bericht over de zesentwintig Japanse martelaren Rome uiteindelijk bereikte prezen de christenen aldaar Araki – alsof hij een van hen was! Zij geloofden dat als hij naar Japan zou terugkeren ook hij op dezelfde manier zou handelen. Araki moet stiekem gebeden hebben dat de situatie in Japan zou veranderen, dat de dag spoedig zou komen waarop prediking van het christelijk evangelie ooit weer zou worden toegestaan. Dat was immers zijn enige hoop om zichzelf te redden.
Een beschrijving door een van Araki’s klasgenoten is bewaard gebleven: ‘Vroeg op een avond bezocht ik Araki in zijn kamer. Mijn deurklop hoorde hij niet. Badend in het zonlicht dat door de kamer scheen, hield hij zijn hoofd in zijn handen. Hij leek te wenen, zo bedroefd en eenzaam zag hij eruit.’
Er valt niets te weten te komen over de route die Araki nam bij zijn terugkeer naar Japan, na zijn verblijf in de heilige stad. De volgende vermelding van hem stamt uit 1615, toen hij in Macao was op weg naar Japan. Op dat tijdstip was de priester Valignano al gestorven, maar het aantal nieuwe studenten dat naar het theologisch college gekomen was was toegenomen.
Bij het horen van de omstandigheden thuis van die Japanse studenten voelde Araki dat zijn laatste sprankje hoop verdween. Na de dood van de zesentwintig martelaren, terwijl in de vervolging van de christenen van geen enkele ontspanning sprake was, werd dat nog versterkt. Gedurende zijn verblijf in Rome was de Toyotomi-clan ten onder gegaan, de weg vrij makend voor het Tokugawa-tijdperk. En toch was de eerste Tokugawa-shogun, Ieyasu, het christendom blijven verbieden, had hij uitwijzingsedicten voor christelijke heren zoals Takayama Ukon en Naito Tadatoshi uitgevaardigd en alle resterende kerken opgeheven. In Kyoto werden christenen systematisch gearresteerd en er waren verslagen van toegenomen vervolging van christenen, zelfs in Yamaguchi en Tanba.
Van Valignano’s doodswens bestaat een verslag. Zijn verzoek was dat Araki terug zou keren naar Japan en vanaf zijn schuilplaats zou verzekeren dat het licht van het evangelie zou blijven branden. In 1614 had Ieyasu verklaard dat alle missionarissen en priesters in Japan het land moesten worden uitgezet, en toch hadden zevenendertig priesters, niet in staat de Japanse christenen in de steek te laten, dit edict genegeerd en waren in ’t geheim gebleven. Die priesters riepen nu om nog meer basis voor ondersteuning. Voor hen was ’t onbestaanbaar dat slechts een zevenendertigtal priesters de spirituele behoeften kon bevredigen van alle verborgen christenen, verspreid als die waren over het hele land.
‘Wat meer dan wat ook nodig is is een Japanse padre.’ Dat was de unanieme opinie van de missionarissen in Macao op dat moment, omdat ’t voor geen enkele buitenlandse missionaris mogelijk was het land vermomd binnen te komen. De buitenlandse missionarissen gedurende deze periode van vervolging kunnen door zijn gegaan met bekeren, met geschoren hoofden boeddhistische priesters imiterend of als Portugese handelaars, maar ze waren al te herkenbaar. En ook leke-christenen gaven de voorkeur aan een Japanse priester boven een buitenlandse, met het oog op het geringere gevaar waar die hen aan zou blootstellen.
Het is dus niet verrassend dat iedereen geloofde dat ’t Araki’s plicht was om terug te keren naar Japan. Nadat hij zijn studietijd in Rome had doorgebracht was hij een grote bron van hoop, zowel voor de missionarissen als voor de Japanners die in Macao studeerden. Dat gegeven kon hij nooit negeren. Hij moet overwogen hebben om in het veilige Macao te blijven tot de vlam van de vervolging in Japan was gedoofd, maar het was evident hoe zo’n lafaard behandeld zou worden als dat aan ’t licht kwam. Er bestond een stilzwijgende overeenstemming dat deze student, van wie zoveel verwacht werd, zou handelen overeenkomstig zijn status.
In de winter van 1617 ging Araki zwaarmoedig aan boord van een Portugees schip, dat op weg ging naar Japan. Pas na tweeëneenhalve maand zou hij de eilanden van Japan zien. Hij was nu vijfenveertig jaar.
Bij zijn geheime aankomst in Nagasaki realiseerde Araki zich onmiddellijk dat de christenen daar nog meer opgejaagd en vervolgd werden dan hij verwacht had. Dat was het werk van het hoofd van het leengoed, de kleinzoon van de christelijke heer, Otomo Sumitomo, die, tot recent, het shogunaat had geprovoceerd door tegenover de lokale christenen grootmoedig op te treden. Kort geleden echter had Otomo blijk gegeven van een complete ommezwaai – het gevolg van een afwijzing van de garde van de shogun. In de stad Kikitsu, vlakbij Nagasaki, was de franciscaan L’Assomption gearresteerd en in de Omura-gevangenis geworpen. En in een boerderij vlakbij Hirado was de jezuïet pater Tavora verrast door een politie-inval tijdens een mis. Beiden werden geëxecuteerd in een district ca. vijf mijl buiten Nagasaki. Op dezelfde manier werden de dominicaner pater Navarette en pater Joseph naar één van de diverse eilanden rond de Omura-baai geëscorteerd en ter dood gebracht.
Araki en zijn medepriesters veranderden elke dag van locatie in een poging om aan de ambtenaren te ontkomen. Maar er wordt gezegd dat toen Araki hoorde dat Sanemon, die hij tot het geloof had bekeerd, op het executieterrein van Omura in reactie op boeddhistische verzoeken ter dood was gebracht, hij zijn hoofd in zijn handen hield en bitter weende*.
Toen de buitenlandse missionarissen een voor een ter dood werden gebracht kwamen de christenen die in ’t verborgene leefden ’s nachts naar Araki’s geheime verblijf om de sacramenten en de biecht te vragen. Hij was hun laatste sprankje hoop. Het was Araki’s plicht als Japans priester om in ’t geheim de mis te lezen, hun biecht te horen in een onderaardse kelder en ze woorden van bemoediging te bieden. Maar de woorden die hij hen bij wijze van bemoediging bood bleven altijd steken in zijn keel. Hij moet beseft hebben dat hij niet toegerust was om dit soort woorden uit te spreken.
Omstreeks 1619 begon het aantal christenen dat gearresteerd werd gestaag toe te nemen. Op 31 januari werd een blinde christen, Yasujiro genaamd, ter dood gebracht, op 14 maart een dominicaan, pater Mena, van de boerderij waar hij zich verborgen gehouden had geëscorteerd naar de gevangenis in Omura – opnieuw in reactie op boeddhistische eisen. De huizen waar christenen werden ontdekt werden in brand gestoken en leden van die families op de brandstapel gezet.
Vanaf ongeveer deze periode viel een geleidelijke verandering in de houding van Araki Thomas te bespeuren. Het was bekend dat hij bij gelegenheid tegenover mensen om hem heen aan anti-kerkelijke sentimenten lucht gaf. Er zijn geen verslagen om die bewering te staven, maar Araki’s gedachten gedurende zijn veranderingsproces moeten zich globaal als volgt hebben ontwikkeld.
Zich volledig bewust van het verbod van het christendom, bleven buitenlandse missionarissen Japan slinks binnenkomen. Aangevuurd door een intens visioen om Japan te bekeren tot het christendom, voorvoelde hun heroïsche geest zelfs de dood. Maar wat moest er gedaan worden met de arme christelijke boeren bij wie zij betrokken waren geweest? De missionarissen versterkten dromen over martelaarschap bij de Japanse christenen. Ze verwachtten van hen dat ze zouden sterven als martelaren. Martelaarschap was nu de enige weg die leidde tot God, en ze geloofden dat als ze dat negeerden ze schuldig werden aan ontkenning van God. Maar bood hun geloof niets anders dan deze wrede weg?
Rond deze tijd ging Araki de Japanse christenen, die op sleeptouw genomen werden door de idealen van de missionarissen, vergelijken met het beeld dat hij van zichzelf had gehad tijdens zijn verblijf in Rome. Zich zijn leven als buitenlands student herinnerend – een leven waarin hij zich totaal verkrampt zag door de noodzaak om stand te houden en zich te conformeren aan dromen van anderen – moet hij hebben willen uitroepen: ‘Dit is genoeg! Laat mij alleen! Probeer jullie ideeën niet op te dringen aan de Japanners!’
Op 10 augustus 1619, toen de ambtenaren uit het bestuurskantoor van Nagasaki arriveerden, sidderde Araki bij zijn arrestatie. Toen hem bevolen werd zijn geloof af te zweren op het bestuurskantoor weigerde hij eenmaal – maar viel weldra af onder marteling.
Araki werd een poos vastgehouden in de gevangenis van Hirado teneinde de eerlijkheid van deze apostasie te verifiëren. Maar het nieuws over zijn afvalligheid verspreidde zich onder de christenen in Nagasaki. Hij mag dan een Japanner zijn geweest, het feit dat een priester zijn geloof had afgezworen was een grote klap voor de moraal in de christelijke gemeenschap. Hij werd onmiddellijk geëtiketteerd als ‘Petrus, de gevallen padre’. Met andere woorden, hij was de ‘vader van alle afvalligen’.
Uit het volgende verhaal blijkt duidelijk dat die bijnaam zich niet alleen in heel Nagasaki maar tot in Arima en Omura verspreid had.
In 1620 werd een Japanse christen uit Arima naar het bestuurskantoor gesleurd en daarna gedwongen te gaan liggen op een paar balken, neergelegd in de vorm van een kruis. Daarna werd door zijn neus en mond water gegoten. De ambtenaren zeiden hem dat hij alleen maar de verblijfplaatsen van de verborgen priesters hoefde te onthullen en zijn leven dan gespaard zou worden. Na uren van ondervraging mompelde hij uiteindelijk ‘ik weet waar een priester woont. Hij woont in Hirado.’
‘Wie woont er in Hirado?’ riep de ambtenaar uit, waarna het slachtoffer verzwakt riep: ‘Petrus, de gevallen padre, woont daar.’
Deze man werd onmiddellijk aan een reeks van wrede martelingen onderworpen en stierf omstreeks de dageraad.
Na twee jaar vastgehouden te zijn in Hirado, werd Araki Thomas overgebracht naar de gevangenis van Omura. Nu waren de ambtenaren ervan overtuigd dat deze lafaard niet zou herroepen, en besloten werd hem aan het werk te zetten. Zijn taak was christenen te vervolgen die vastgehouden werden in de Omura-gevangenis teneinde ze te laten afvallen.
Het was 1622, en het waren acht buitenlandse missionarissen alsook talrijke Japanse christenen die in die tijd in de Omura-gevangenis werden vastgehouden. Vandaag de dag hebben we een tamelijk goed idee van de omstandigheden waaronder ze vastgehouden werden. Men zegt dat dertig gevangenen samengeperst werden in een kamer met twaalf matten (elke mat besloeg ongeveer twee vierkante meter). Niet in staat te bewegen, werden ze gedwongen om gedurende de hele dag met hun benen gekruist te zitten. Bij wijze van voedsel kregen ze een bord ongewassen rijst met een kleine gezouten sprot en soms een beker knolbladsoep. Nochtans zouden de gevangenen middenin de nacht in koor hun gebeden hebben gereciteerd en daarna gedurende tweeënenhalf uur hun zwijgende gebed hebben voortgezet.
Het is onzeker of Araki Thomas in dezelfde kamer werd geplaatst. Maar het is bekend dat hij werd weggesleurd als een getuige telkens als zij ondervraagd werden. In die tijd waren er tal van voorbeelden waarbij christenen elkaar zouden beschermen door tegenover de ambtenaren staande te houden dat ze onzeker waren of de anderen christenen waren of niet. Bij dit soort gelegenheden was op het bestuurskantoor een getuige als Araki nodig.
In de christelijke verslagen wordt praktisch geen melding gemaakt van Araki’s successievelijke handelingen. Het is zelfs niet bekend wanneer hij gestorven is. Het enige desbetreffende verslag is van het gesprek dat hij in 1637, vijftien jaar na zijn overbrenging naar de Omura-gevangenis, in het bestuurskantoor van Nagasaki had met de dominicaner pater Michael Ozazaza.
In 1634 werd een Spaans schip door de wind op de kust van de Ryuku-eilanden gedreven. Aan boord waren vier missionarissen in lekekledij. Ze werden onmiddellijk opgemerkt, vastgebonden en naar Satsuma gestuurd. Drie van hen werden daarna naar Nagasaki gebracht. Tijdens de ondervraging bekenden ze alle drie dominicaner priesters te zijn uit Manila, gekomen om het evangelie te verspreiden in Japan. Ook verklaarden ze dat sommige Japanners aan het theologisch college in Manila studeerden, ook al waren dat er weinig in aantal.
In die tijd bevond Araki Thomas zich in het bestuurskantoor, en hij sprak met één van de missionarissen, pater Ozazaza, in vloeiend Latijn. Araki stelde hem ervan op de hoogte hoe in Japan al genoeg christelijk bloed vergoten was en hoe, telkens als er meer missionarissen Japan binnenslopen, er noodzakelijk nog meer bloed vergoten zou worden. Hij smeekte de kerk in Rome het volk van Japan te verlaten, ermee te stoppen haar dromen en idealen op te dringen aan de Japanners.
Pater Ozazaza hoorde Araki zwijgend aan. Toen riep hij eenvoudig uit: ‘Je Latijn is goed. Maar je geloof is verrot. Je studieperiode in het buitenland is voor niets geweest.’
De drie missionarissen werden onderworpen aan een wrede marteling met water – afschuwelijke hoeveelheden water werden door neus en keel gegoten. Ook werden ze overdekt met planken waarop getrapt werd. Die marteling hield meerdere dagen aan, tot ze alle drie aan de dood bezweken.
Er is een theorie die luidt dat Araki Thomas, de eerste Japanner die in Europa was gaan studeren, daarna zozeer door zijn geweten gepijnigd werd dat ook hij de dood van een matelaar onderging. Maar natuurlijk is dat whisful thinking. Katholieke bronnen beschrijven hem in de volgende bewoordingen: ‘Japanse afvallige. Gestudeerd in Rome. Kreeg overal waar hij kwam een fantastisch welkom – maar zwichtte uiteindelijk voor de trots.’
Vertaling van: Shusaku Endo, Foreign Studies, z.pl., Peter Owen Publishers, 1989 [1965,], p. 39-51, ‘Part Two. Araki Thomas’.
* (Noot v/d vertaler.) De reminiscentie aan het verraad van Petrus in het Nieuwe Testament springt in het oog, zoals ook uit het vervolg blijkt.
Reacties
Een reactie posten