Maarten Luther (1483-1546) - Aanklacht van de vogels - Klageschrift der Vögel


Aanklacht van de vogels tegen Wolfgang Sieberger

 

 

Inleiding door Karin Bornkamm

In dit pas in 1565 in druk verschenen geschriftje richtte Luther zich tegen het vangen van vogels door zijn bediende Wolfgang Seberger (niet: Sieberger), die vanaf 1519 zijn famulus [bediende. J.A.] was en die na Luther’s dood als ‘arme lamme wolf’ was blijven wonen in de huishouding van Katharina Luther. Ook is Luthers even schertsende als vastberaden weerwoord op Sebergers vogelvangerij een sprekend bewijs voor de spontane oplettendheid en liefde waarmee hij ook de dieren in zijn wereld had opgenomen. Trouwens, vogels konden toch al rekenen op zijn speciale genegenheid. – In zijn complete vorm is het geschriftje alleen gedrukt overgeleverd. Daar begint het met een verwijzing naar Luthers auteurschap en opzet en eindigt het met een nauwelijks passende, vrome bijvoeging van Matteüs 6, 26. Geen van beide staan in het bewaard gebleven fragment van een afschrift van de tekst (uit ca. 1540) en werden ook hier weggelaten. – Bron: Weimarer Ausgabe 38, p. 292-293.


Aan onze welgezinde doctor Maarten Luther,

predikant te Wittenberg

Wij lijsters, merels, vinken, kneuen, putters, inclusief alle andere brave, eerbare vogels die deze herfst willen reizen over Wittenberg, laten Uwe Geliefde weten dat – zoals ons overtuigend verteld wordt – iemand, genaamd Wolfgang Sieberger, uw bediende, zich een grote, misdadige overmoed heeft gepermitteerd en uit grote toorn en haat jegens ons een paar oude, vergane netten duur heeft gekocht om zo een vinkenbaan in te richten. En dat hij voornemens is om niet alleen onze beste vrienden, de vinken, maar ook ons allemaal onze vrijheid te ontnemen om in de lucht te vliegen en op aarde zaadjes te lezen: wat ons toch door God gegeven is. Dat hij bovendien ons lijf en leven inperkt hoewel we toch domweg nergens bij hem in het krijt staan en ook deze zijn serieuze en gemene overmoed niet hebben verdiend.

Omdat dat allemaal trouwens – zoals u zelf wel kunt bedenken – voor ons, arme, vrije vogels (die toch al weinig schuren of huizen en daar niets in hebben) een gevaarlijke en grote last is, luidt ons nederige en vriendelijke verzoek aan u dat u uw dienaar deze overmoed wilt verbieden, of, mocht dat niet kunnen, hem wilt overhalen om de avond tevoren zaadjes op de baan te strooien en ’s morgens niet vóór acht uur op te staan en naar die baan te gaan. Dan zullen we de tocht over Wittenberg nemen. Zal hij dat niet doen en ons zó misdadig naar het leven staan, dan zullen we God vragen hem tegen te houden zodat hij overdag op zijn baan – in plaats van ons – kikkers [manuscript: muggen], sprinkhanen en slakken vangt en ’s nachts door muizen, vlooien, luizen en wantsen aangevallen wordt, waardoor hij ons vergeet en onze vrije vlucht niet inperkt. Waarom gebruikt hij die toorn en ernst niet tegen mussen, zwaluwen, eksters, kauwen, muizen en ratten die u immers veel leed berokkenen, stelen en roven en ook nog eens graan, haver, mout, gerst enz. uit huizen weghalen, wat wij niet doen. Wij zoeken enkel het kleine brokje en een paar aan de zijkant gevallen zaadjes.

Wij baseren deze onze zaak op rechtmatige redelijkheid om niet ten onrechte zo streng door hem te worden benadeeld. Toch stellen wij onze hoop op God, want in de herfst zijn er zovelen van onze broertjes en vriendjes door Hem bewaard gebleven en hem ontvlucht, en ook zullen we zijn nergens toe dienende en boosaardige netten ontvluchten die we gisteren gezien hebben.

Gegeven in onze hemelse woonplaats onder de bomen, onder ons gewone zegel en onze veren.


Bron: ‘Klageschrift der Vögel gegen Wolfgang Sieberger, 1534?’, in: Martin Luther, Ausgewählte Schriften, Herausgegeben von Karin Bornkamm und Gerhard Ebeling, in Gemeinschaft mit Oswald Bayer, Pierre Bühler, Martin Elze u.A., Frankfurt am Main, Insel Verlag, 1982, II. Erneuerung von Frömmigkeit und Theologie, p. 265-267.

Ik heb dit luchtige geschriftje van Luther, samen met de inleiding door Karin Bornkamm, in deze blog opgenomen om zoiets als een aanvulling te bieden op het overigens zeer smakelijke essay van Herman Pleij, De eeuw van de zotheid (Amsterdam, Bert Bakker, 20073 ), waarin de spottende humor van Erasmus - terecht - breed uitgemeten wordt terwijl die van Luther onvermeld blijft. Een 'Aanklacht' als deze kan het beeld een beetje bijschaven dat Luther louter en alleen kent vanwege zijn grove taalgebruik ('Grobianismus') en zijn jodenhaat.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Jos Augustus, Schrijven over kunst

Fukushima, technocratie en een beetje filosofie