James Purdy (1914-2009), drie gedichten


Jan Erik, alleen

Ik kan alleen de Maan vertellen

hoeveel ik van de jonge timmerman houd.

Maar de Maan geeft me zelfs

        niet genoeg kracht om mijn kamer uit te gaan.

Ik wacht, zie je, totdat hij belt.

De reden voor stilte tussen ons:

hij heeft nog maar pas een nieuw nummer

en dus verbindt de bedrading ons nog niet.

Ik vertel het de Maan maar de Maan

kan alleen maar luisteren.

Weer voel ik mijn vingers

over de welving van zijn borst

en hoor ik mijn eigen hartslag

als ik mezelf omlaag zie buigen

om zijn zachte vlees te bedekken

met de honger van mijn kussen.




Jan Erik, alone

I can only tell the moon

how much I love a young carpenter.

But the Moon does not give me even

        enough strength to go out from my room.

I am waiting, you see, for him to call.

The reason for silence between us:

he has only recently got a new number

and so the wires do not reach between uns.

I tell the Moon but the Moon

can only listen.

Again I feel my fingers

on the curve of his breast

and I hear my own heartbeat

as I watch myself lean down

to cover his sweet flesh

with the hunger of my kisses.





In een diepe sluimer

Ik droomde van Lars.

Hij verscheen net zoals

        hij gewoonlijk deed

 toen onze liefde nieuw was.

Hij staarde naar mij als in een gebroken

        spiegel,

hurkend op zijn smalle hielen,

starend naar mij met één lui oog,

        het rechter,

en in het

        grote gloeiende linkeroog

ving ik een angstige flits op,

terwijl zijn lippen half-bloedend van

        mijn kussen

trilden.

Daarna, toen de dag zijn licht ontvouwde,

stak de storm op.

Een overvloedige regen

viel op Lars' haar,

        op zijn tengere vingers,

en ten slotte over zijn lippen

        die zo vaak de mijne hadden gedrukt.

Toen stroomde de zondvloed over

        zijn witte keel,

de keel waaruit ik zoveel

gesmoorde kreten van extase had horen komen.

 

 

 

In a deep slumber

I dreamed of Lars.

He appeared just as he always

        used to be

when our love was new.

He stared at me as in a broken

        looking-glass,

crouching on his small heels,

gazing at me with one lazy eye,

        the right one,

and in the

        big glowing left eye

I caught a fearful lightning,

while his lips half-bleeding from

        my kisses

fluttered.

Then as the day unfurled her light,

the storm arose.

An overflowing rain

fell on Lars' hair,

        on his slender fingers,

and finally over his lips

        which had pressed mine so often.

Then the deluge poured over

        his white throat,

the throat from which had come

so many choked cries of extasy.





Witte schapen

Witte schapen lagen in de velden

toen ik jou zag naderen op de weg.

Je was nat van het zweet van je lange mars,

je hemd met hertsleren veter

        was open gaan staan 

en openbaarde het vlees van je borst

        en je jeugdige ribben.

Je hief je gevouwen handen in de lucht,

en ik zag de aanwezigheid van aarde op je naakte dijen.

De mosgeur van wouden beroerde de haren van

        mijn neusgaten.

Ik voelde het trillende weefsel van je lichaam

toen ik omlaagboog en dronk uit de tapkraan

        van je geslacht.

 

 

 

White sheep

 White sheep wre lying in the fields

when I saw you approach in the road.

You were wet with sweat from your long march,

your shirt tied with the deer string

        had come open

revealing the flesh of your breast

and your youthful ribs.

You lifted your clasped hands to the sky,

and I saw the presence of earth on your naked thighs.

The mossy smell of forests stirred the hairs of

        my nostrils.

I felt the palpitating tissue of your body

as I bent down and drank from the spigot

        of your sex. 


'Drie gedichten' werd oorspronkelijk gepubliceerd in De tweede ronde, Zesentwintigste jaargang, nummer 4 (Winter 2005), p. 182-184.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Jos Augustus, Schrijven over kunst

Fukushima, technocratie en een beetje filosofie