Hartley Coleridge (1796-1849), Langdurig Kind - Long Time a Child

 


Langdurig Kind


Langdurig kind, en nóg een kind ben ik

Na jaren man’lijkheid, getekend op mijn kaak;

Leef ik geboren zonder stervenssmaak

Kwistig verslijter van glimlach en snik,

Geen hoop had ik ooit nodig, geen weet had ik van schrik.

Maar slaap, schoon zoet, is ook maar slaap; en wakend

waakt’ ik slechts om slaap te mind’ren. Mijn baken:

Leeftijdsvoorsprong, incluis heel de mik-

Mak plichten op mijn rug. Geen kind, geen man,

Niet jong, niet wijs, zie ik mijn grijze hoofd,

De ongelopen race heb ’k niet gewonnen, verre van!

De trage mei: dra door december snel geroofd

En nóg ben ik een kind, ofschoon al oud

Tijd eist de schuld op van mijn jaren, onontvouwd.





Long Time a Child


Long time a child, and still a child when years

Had painted manhood on my cheek, was I;

For yet I lived like one not born to die

A thriftless prodigal of smiles and tears,

No hope I needed, and knew no fears.

But sleep, though sweet, is only sleep; and waking,

I waked to sleep no more, at once o’ertaking

The vanguard of my age, with all arrears

Of duty on my back. Nor child, nor man,

Nor youth, nor sage, I find my head is grey,

For I have lost the race I never ran!

A rath December blights my lagging May,

And still am I a child, though I be old

Time is my debtor for my years untold.



Bron: The Penguin Book of Romantic Poetry, Edited by Jonathan and Jessica Wordsworth,

London, Penguin Books (Penguin Classics), 2005, p. 445. Dit gedicht stamt uit 1833.





Reacties

Populaire posts van deze blog

Jos Augustus, Schrijven over kunst

Fukushima, technocratie en een beetje filosofie