Rudolf Bultmann (1884-1976), De geschiedenis van Klompie-Dompie
De geschiedenis van Klompie-Dompie,
die van de trap afviel
en toch de prinses kreeg
1916*
Nederlandse vertaling en bewerking:
Jos Augustus
Er was eens een jongen en die heette Klompie-Dompie. Dat wil zeggen eigenlijk heette hij Klaas, maar de andere jongens noemden hem Klompie-Dompie omdat zijn ouders zo arm waren dat ze geen echte leren schoenen voor hem konden kopen. En dus moest hij dikke houten schoenen dragen en in die schoenen kwam hij altijd stampend aangelopen: ‘klompie-dompie!’.
Nu ging Klompie-Dompie samen met de andere jongens naar school. Maar echte scholen waren er toen nog niet; ze kregen les bij een oude man die vroeger soldaat was geweest bij de oude Fritz* en in de oorlog zijn been was kwijtgeraakt. Nu was hij kleermaker geworden en zat op zijn tafel en naaide broeken en jassen en gaf intussen gaf les aan de jongens. Maar hij woonde helemaal bovenaan in een oud huis. Als de lesuren voorbij waren waren de jongens blij en renden ze zo snel ze konden naar buiten, de kamer uit en de hoge trap af naar buiten, de straat op en riepen ‘Hoera!’ en lachten. Alleen Klompie-Dompie kon met zijn zware houten schoenen niet zo snel als de anderen de trap af komen en soms, als de jongen het toch probeerde, viel hij met een enorm kabaal de hele trap af en stommelden zijn houten schoenen er ‘klompie-dompie!’ achteraan. Dan deed de leraar de deur van zijn kamer weer open en riep:
‘Zeg! kunnen jullie niet eens wat kalmer naar huis gaan? Wat is dit nu weer voor een kabaal?’
Maar dan riepen de jongens: ‘Ach, het is niets hoor, alleen Klompie-Dompie is maar weer eens van de trap gevallen!’
Maar wat Klompie-Dompie nog het liefste wou was dit: naar muziek luisteren. Onder lestijd, wanneer buiten de soldaten met hun muziek langs kwamen marcheren, hoorde Klompie-Dompie helemaal niets meer van wat de leraar zei maar hoorde hij altijd alleen nog maar hoe mooi de muziek wel klonk die van buiten de kamer binnenkwam, tot de leraar riep:
‘Hé, Klompie-Dompie, let je alweer niet op?’
Op een dag, toen het markt was, kwam hij veel te laat op school omdat hij op straat een orgeldraaier achterna gelopen was en pas weer aan school dacht toen het al veel te laat was. Toen moest hij voor straf in de hoek gaan staan, tot het lesuur afgelopen was.
Toch mocht de leraar Klompie-Dompie wel, want het was een leuke jongen en was altijd zo aardig om voor hem altijd de spullen weg te dragen die hij intussen genaaid had. En toen het weer Kerstmis was gaf hij hem als beloning een mooie fluit cadeau en liet hem zien hoe hij erop moest spelen. Daar was Klompie-Dompie erg blij mee en hij leerde de Hohenfriedberger-Mars* spelen en Toen de Pruisen marcheerden naar Praag en Daarginds op die hoge berg en nog veel andere mooie liederen, en ook veel liederen die niet eens bestaan. En toen het weer zomer was liep hij altijd met zijn fluit naar het bos, ging daar onder de bomen liggen en floot samen met de vogels alsof het om een weddenschap ging.
Op een dag was hij weer in het bos en zat hij in het kreupelhout tegen een dijk aan en de zon scheen erbij en Klompie-Dompie floot zo schitterend dat de vogels geluidloos op hun takken bleven zitten en kwamen luisteren en de vissen hun kop boven het water uitstaken en ook luisterden.
Toen ritselde er ineens iets in het kreupelhout en er kwam een gouden bal aangevlogen en zou net het water in zijn gerold als Klompie-Dompie hem niet op het laatste moment had beetgepakt. En achter de bal kwam door het kreupelhout een heel mooi meisje aangerend, het was helemaal rood van het rennen en haar haar hing voor haar gezicht. Het was de prinses die riep: ‘O wee, mijn mooie bal is in het water gevallen!’
Maar Klompie-Dompie stond op en gaf haar de bal en zei: ‘Hier heb je ’m al!’
De prinses werd eerst een klein beetje bang maar zei toen: ‘Wie ben jij eigenlijk?’
Hij zei: ‘Ik ben Klompie-Dompie.’
Toen begon de prinses vreselijk hard te lachen en riep uit: ‘Klompie-Dompie! Wat is dat nu voor een naam! Zo heet niemand toch!’
Toen zei hij: ‘Dat is ook zo, maar eigenlijk heet ik Klaas, alleen de andere jongens noemen me altijd Klompie-Dompie.’
Toen moest de prinses nog veel harder lachen. Maar daarna zei ze: ‘Wat doe jij hier eigenlijk, Klompie-Dompie?’
Hij zei: ‘Ik speel op mijn fluit en de vogels en vissen komen ook luisteren.’
‘Wat?’ riep ze uit, ‘speel dan alsjeblieft meteen verder, dat wil ik ook weleens horen!’
Toen ging de jongen zitten en de prinses erbij en hij speelde de allermooiste liederen die hij kende en de prinses luisterde en zag hoe alle vogels luisterden en hoe de vissen hun kop ver boven het water uitstrekten.
Daarna klapte ze van puur genot in haar handen en riep uit: ‘Lieve hemel! Wat mooi! Klompie-Dompie, jij moet morgen naar ons toe komen naar het paleis en ons iets komen voorspelen met je fluit!’
Dat moest hij haar beloven. Maar net toen ze daar waren ritselde en ruiste er nog weer iets in het kreupelhout en doken er twee hofdames op die er heel plechtig en voornaam uitzagen. Ze zochten de prinses en toen ze haar in de gaten kregen zetten ze een streng gezicht op en riepen: ‘Maar Hoogheid, wat doet u hier! Kom snel met ons mee!’
En de prinses rende weg maar draaide zich nog één keer om naar Klompie-Dompie en riep: ‘Maar je mag echt niet vergeten om morgen te komen met je fluitspel te komen!’
De volgende dag pakte Klompie-Dompie zijn fluit en omdat hij het beloofd had moest hij nu naar het paleis, naar de koning en naar de prinses. Maar de koning was die ochtend heel knorrig, want de vorige avond had hij teveel bier gedronken en nu smaakte de ochtendpijp hem niet en had hij hoofdpijn. En juist deze ochtend was ook nog eens de prins van Parfumië gearriveerd met een grote bos rozen en hij wou trouwen met de prinses. Hij was heel mooi gekleed, had een roze zijden gewaad aan en allemaal punten op zijn kraag en op zijn mouwen en hij rook naar allerlei welriekende geuren. Maar toen hij vervolgens met zijn grote bos rozen de kamer in kwam waar de koning op zijn troon zat en een diepe buiging maakte en net iets wou gaan zeggen riep de koning uit: ‘Bah, wat stinkt hier zo?’
Toen kon de prins er alleen maar heel erg verlegen en stotterend uitkrijgen dat hij met de prinses wou trouwen en verder helemaal niets behoorlijks wist te zeggen.
Toen riep de koning uit: ‘Wat, zo’n ouwe gek! Daar krijg je pas hoofdpijn van! Vort! Weg ermee!’
En intussen liep hij op de prins af en zette een heel bars gezicht op. Maar de prins rende snel naar buiten met de koning er achteraan tot aan de trap en de koningin en de prinses en alle hofheren en -dames waren al samengedromd vanwege het lawaai en zagen hoe de koning aan het schelden was en hoe de prins van Parfumië de trap afrende.
En precies op dat moment kwam Klompie-Dompie met zijn fluit de trap opgelopen en boog diep voor de koning en zei: ‘Goedemorgen!’
‘Wat wil dat joch nu weer?’ zei de koning erg knorrig.
‘Ik wou Meneer de Koning voorspelen op mijn fluit’, zei Klompie-Dompie.
‘Wat? Nog zo’n gek!’, riep de koning uit, ‘en ik heb al zo’n hoofdpijn! Ingerukt, mars! Weg ermee!’
En toen sloeg de arme Klompie-Dompie de schrik om het lijf en wou zo snel als hij kon de trap afrennen. Maar met zijn houten schoenen ging dat alweer niet en al na twee stappen viel hij met een groot kabaal de trap af en zijn houten schoenen ‘klompie-dompie!’ achter hem aan. En omdat zijn val nog sneller ging dan het geren haalde hij ook nog eens de prins van Parfumë in en toen hij tegen hem aan botste viel ook die om en nu suisden ze allebei langs de trap naar beneden. En net toen ze onderaan arriveerden kwam de hofkok de keuken uit. Die droeg zijn grote dienblad met soep, gebraad en pudding voor zich uit en wou net de trap op toen de twee langs zijn benen kwamen aansuizen. Dat had nog weer een grote botsing tot gevolg en iedereen vloog over elkaar heen en het dienblad met de schotels en spijzen daar weer overheen.
Maar de koning, die van bovenaf toekeek, moest zo verschrikkelijk lachen dat de tranen hem over de wangen liepen en zijn hoofdpijn prompt verdwenen was.
‘Wat is dat voor een kerel?’ riep hij uit.
Toen zei de prinses tegen hem dat dit Klompie-Dompie was en dat deze jongen zo mooi fluit kon spelen dat de vogels en de vissen ernaar kwamen luisteren en dat zij tegen hem gezegd had om vandaag naar het paleis te komen om voor te spelen. Nu, omdat de koning de prinses erg graag mocht en ook niet langer knorrig was zei hij tegen haar: ‘Haal die jongen dan weer naar boven. Dit is toch een fantastische kerel!’
Toen holde de prinses snel de trap af en kwam met Klompie-Dompie aan de hand weer naar boven. En de kok moest een nieuw dienblad met soep, gebraad en pudding halen en toen ze ’s middags aan het eten waren moest Klompie-Dompie voorspelen op zijn fluit. En hij speelde zo schitterend dat ze het eten helemaal vergaten. De koningin knikte met haar hoofd en de hofdames keken elkaar aan en slaakten een zucht maar de koning mompelde voor zich uit: ‘Mooi! heel mooi!’ En de prinses moest lachen en wenen tegelijk.
Toen Klompie-Dompie klaar was met spelen zei de koning: ‘Wat is dit toch voor een kerel! Het is echt een prachtkerel! Die zal mijn prinses krijgen!’ En hij riep Klompie-Dompie bij zich en vroeg hem: ‘Kun jij lezen en schrijven?’
‘Jazeker, Meneer de Koning!’ zei Klompie-Dompie.
‘Kun je ook paardrijden en jagen?’
‘Nee, dat niet, Meneer de Koning!’ zei Klompie-Dompie.
‘Zo zo’, zei de koning, ‘dan blijf je voortaan hier aan mijn hof en ga je leren paardrijden en jagen. En als je dat kunt en alles wat daar verder nog bij komt kijken dan ga je trouwen met de prinses.’
En zo bleef Klompie-Dompie voortaan aan het hof en leerde paardrijden en jagen en alles wat daar verder nog bij komt kijken, en toen er een jaar om was en hij zover was werd de bruiloft gevierd. Maar de koning vaardigde een wet uit dat voortaan niemand nog ooit in het hele rijk ‘Klompie-Dompie’ mocht zeggen maar alleen nog ‘Prins Nicolaas’. En zo gebeurde. Alleen de kok en de mensen in de keuken zeiden – als niemand het hoorde – ‘Klompie-Dompie’ en de prinses riep een enkele keer in haar slaap terwijl ze aan het dromen was: ‘Ach Klompie-Dompie, ben je nu alweer van de trap gevallen?’
*
Drie opmerkingen ter toelichting.
1.
Rudolf Bultmann (1884-1976) is een van de bekendste theologen uit de twintigste eeuw. Jarenlang was hij alleen bekend vanwege zijn geleerde werken, tot, veel later, uit de archieven vier simpele sprookjes opdoken waarvan dit het eerste is. Toch blijkt ook uit zijn academische oeuvre dat hij van sprookjes hield, want voor zijn studies over beeldspraak in de evangeliën heeft hij die laatste mede in het kader geplaatst van de internationale sprookjesliteratuur.
2.
Rudolf Bultmann is niet alleen een van de bekendste, hij is ook een van de meest omstreden theologen van de twintigste eeuw. Eén oorzaak voor de controverse rond zijn oeuvre zou worden wat hij noemd had de 'ontmythologisering' van de christelijke boodschap, een lectuur van het Nieuwe Testament waarvan de pointe in en buiten theologische milieus maar zelden scherp werd - en wellicht nog steeds wordt - waargenomen. Een andere, minder bekende oorzaak is zijn vlijmscherpe afwijzing van elke kerkelijke bemoeienis met universitaire theologiebeoefening. Kerkelijke overheden die namens een 'leer' deze beoefening wensen te reguleren (bijv. bij benoemingsbeleid) bijten - zo luidt Bultmann's argument - als slangen in hun eigen staart: blind als ze zijn voor de vicieuze cirkel dat zo'n 'leer' zelf een - gedegen of belabberde - theologie veronderstelt die eerst nog door een vrije wetenschapsbeoefening op haar merites onderzocht zou moeten worden. Zulke overheden streven iets na waarin ze toch nooit zullen slagen: kneveling van een vrije en kritische wetenschapsbeoefening zoals die voor iedere wetenschap (fysica, geschiedwetenschap, linguïstiek etc.) onontbeerlijk is.
3.
Met dit sprookje ‘refereert Bultmann aan het sprookje “De denneboom” van Hans Christian Andersen. Terwijl daar deze geschiedenis wel meer dan eens vermeld maar niet apart verteld wordt heeft Bultmann dit met zijn eerste sprookje bij wijze van spreken goedgemaakt’ (W. Zager, ‘Einführung’, in: o.c., p. 9v).
* * *
* Oorspr. titel: Rudolf Bultmann, ‘Die Geschichte von Klumpe-Dumpe, der die Treppe hinunterfiel und doch die Prinzessin kriegte’, in: Wachen und Träumen, Märchen, Herausgegeben und eingeleitet von Werner Zager, Mit Zeichnungen von Urselies Till, Berlin, Wichern-Verlag, 2011 [2005], p. 13-22.
* (Noot v/d vertaler.) ‘De oude Fritz’: Frederik II van Pruisen (1712-1786), zo genoemd in de Duitse volksmond.
* (Noot v/d vertaler.) ‘De Hohenfriedberger-Mars’: één van de bekendste Duitse militaire marsen die zijn naam dankt aan aan de overwinning van de Pruisen op de met elkaar verbonden Oostenrijkers en Saksen op 4 juni 1745 tijdens de Slag bij Hohenfriedeberg (naar Wikipedia Ned., geraadpleegd op 29-12-2024).
Reacties
Een reactie posten