Marco Lodoli, Godfried Bomans en John Keats
I
Marco Lodoli
In deze dagen woeden oorlog en waanzin, en niemand weet hoe lang nog en hoeveel leed ze nog zullen ontketenen. De bommen en de smart zijn ver weg, maar de rook van de verwoesting is zelfs hier voelbaar, de wind van de angst brengt ze naderbij en dringt door tot in longen en gedachten.
Deze onsystematische gids zou de aandacht willen vestigen op plekken waar schoonheid en poëzie op één eiland zijn blijven bestaan: boeken, bomen, schilderijen, een bar aan de rand van de stad, een zijstraat – maar zo nu en dan zouden we nog het liefst een zwarte doek over ons heen willen gooien, een bord omhangen met het opschrift ‘Wegens sterfgeval gesloten’ en de eenvoudige woorden des levens voor betere tijden bewaren. Nog het liefst gingen we aan de kant staan en erop wachten dat de bittere smaak van het ongeluk voorbijgaat. Toch dwingt ons iets om door te gaan, wellicht de illusie dat zelfs een goed geformuleerde zin eraan bij zou kunnen dragen om de harmonie te herstellen. Als de vleugelslag van een vlinder werkelijk een aardbeving op duizenden kilometers afstand kan ontketenen, dan kan wellicht ook een aan de schoonheid gewijde minuut een brand blussen. En dus brengen we een bezoek aan het protestantse kerkhof in Rome, naast de piramide van Cestius, één van de meest zonnige en aangrijpende plekken in onze stad. Hier liggen Keats en Shelley begraven: de twee romantische Engelse dichters die in Rome gewoond hebben aan de Piazza di Spagna* en heel jong gestorven zijn. Het graf van de één ligt midden op een grote wei, en op de grafsteen staat nog niet eens zijn naam maar alleen het beroemde opschrift: Here lies one whose name was writ in water: ‘hier ligt iemand wiens naam geschreven was in water’. Op het graf van de ander, die in de Tyrreense Zee verdronken is, zijn daarentegen een paar regels te lezen uit Shakespeare’s The Tempest: Nothing of him that doth fade / But doth suffer a sea-change / Into something rich and strange. ‘Niets van hem gaat teloor, want een wonder van de zee verandert hem in iets rijks en vreemds’*. Net als alle dichters hebben Keats en Shelley al vroeg begrepen dat ons verblijf op deze aarde begrensd is, dat de golven ons dragen en daarna uitwissen, dat ze ons wellicht veranderen.
Vertaald uit: Marco Lodoli, Isole: Guida vagabonda di Roma, 2005, p. 112v = dez., Spaziergänge in Rom, ausgewählt aus dem Italienischen von Gundl Nagl, 2006, p. 58v.
II
Marco Lodoli
Can death be sleep, when life is but a dream, / And scenes of bliss pass as a phantom by? / The transient pleasures as a vision seem, / And yet we think the greatest pain’s to die. ‘Kan de dood wel slaap zijn en het leven maar een droom, / Dat beelden van geluk vluchtige wanen zijn? / Vluchtig genot komt als een visioen op stoom / En toch is denken aan de dood de grootste pijn.’* Dit schreef John Keats in een van zijn eerste gedichten, wellicht reeds vermoedend dat zijn leven kort zou zijn, reeds met de weemoedige blik van iemand die weldra afscheid moet nemen. En wellicht heeft hij deze verzen herhaald toen hij de Piazza di Spagna bekeek vanuit de vensters van het huis waar hij de laatste vier maanden van zijn leven gewoond heeft*.
Bright Star, de film van Jane Campion uit 2009, beschrijft op indringende wijze de heimelijke verwachtingen van Keats op zijn reis naar het zuiden, een nieuwe lente tegemoet. Hij was net vijfentwintig en de dood klopte al aan zijn deur: de tuberculose had zijn longen verwoest.
O Poesy! for thee I grasp my pen / That am not yet a glorious denizen / Of thy wide heaven... ‘O Poëzie! voor u grijp ik naar mijn pen / Daar ik nog geen roemrijk burger / Van uw wijde hemel ben...’* Zoals de beste romantische dichters besefte Keats dat alleen poëzie het mysterie van de wereld kan onthullen en de wilde kracht van het noorden en de harmonie van het zuiden verenigen, de wind en de zon, de liefde en de maat. Maar de dood had hem gestopt en opgesloten in een kist; hij ligt op het Cimetero acattolico naast de Piramide van Cestius.
Het is mooi om deze woning te bezoeken, de kamer waarin hij zijn laatste dagen heeft doorgebracht: dit museum lijkt op een tempel waarin de luchtstroom hangt, een zeepbel, afgescheiden van de chaos van het plein. Hier is de Fondazione Keats e Shelley gevestigd. Ook deze andere grote romantische Engelse dichter heeft gedurende korte tijd in onze stad gewoond en is daarna bij het baden voor de Ligurische kust verdronken.
Het waren jongens, droomden van een voornaam leven, barstend van leven, verliefd, en voor een deel hebben ze dat ook gehad: we kunnen het terugvinden in hun verzen en een beetje ook in de eeuwige schemer van een klein Romeins appartement.
Vertaald uit: M. Lodoli, Nuove isole: Guida vagabonda Roma, 2014, p. 97v = Unter dem blauen Himmel Roms, Neu Streifzüge durch die ewige Stadt, Aus dem Italienischen von Gundl Nagl, Berlijn, Insel Verlag, 2016, p. 132v.
III
Joseph Severn
Portret van John Keats op zijn sterfbed
28 januari 1821
IV
Godfried Bomans
Vrienden tot in de dood
In het boekje van Edmond Joly, ‘Les Chambres des Saints’, dat de kamers beschrijft, waarin te Rome heiligen geleefd hebben en gestorven zijn, zult u vergeefs het huis op de Piazza di Spagna, nummer 26, zoeken. Hier is een jong Engels dichter gestorven, John Keats genaamd, en deze was geen heilige. Toch zou het opnemen van dit kamertje in de volgende druk verdedigbaar zijn en wel om Joseph Severn, zijn vriend, in wiens armen hij gestorven is. Want zelden vindt men vriendschap van een zo hoge onbaatzuchtigheid, als door deze Engelsman bewezen werd. Zij liggen nu naast elkaar op het Protestantse Kerkhof van Rome, aan de voet van de piramide van Cestius, gelijk zij ook naast elkaar geleefd hebben, in die twee kleine vertrekjes, aan de voet van de beroemde Spaanse Trappen.
Toen Keats op 17 september 1820 in de ‘Maria Crowther’ uit Londen wegvoer, was hij reeds ten dode opgeschreven. Niet, zoals zijn grafschrift ons wil doen geloven, door de ‘malicious power of his enemies’, want men sterft niet aan een tweetal ongunstige recensies, maar omdat de tuberculose hem had ondermijnd. Shelley, die in Pisa hiervan hoorde, ried hem aan de winter in Italië door te brengen. ‘Deze ziekte is bijzonder gesteld op mensen, die zulke goede verzen schrijven als jij en een Engelse winter zal haar die voorliefde te hulp komen. Pak dus de eerste boot en kom bij mij in Italië...’ Keats accepteerde terstond. Op 11 november schrijft Shelley aan Marianne Hunt: ‘Waar is Keats nu? Ik verwacht hem hier elk moment en wil alle zorg aan hem besteden. Ik beschouw zijn leven als onschatbaar en zijn genezing gaat mij zeer ter harte. Ik ben van plan de dokter te zijn zowel van zijn lichaam als van zijn geest. Het eerste zal ik de Italiaanse warmte schenken, het tweede de kennis van Grieks en Spaans...’
‘Where is Keats now?’ Keats was, na een afschuwelijke overtocht, op 21 oktober in Napels aangekomen, had daar tien dagen in quarantaine gelegen en schommelde op dit moment in een langzame koets op Rome aan. Naast hem zat zijn vriend Joseph Severn, een middelmatig schilder en een weinig opvallende persoonlijkheid, die alleen hierin van onbeduidendheid gered werd, doordat hij dit zelf ook vond. Mensen als Joseph Severn leven er duizenden in elke stad en zij zijn, zo niet het zout, dan toch het deeg der mensheid. Om de verborgen krachten van zulk een naamloze aan het licht te brengen, is een bijzondere gebeurtenis nodig. Zelf niet creatief, behoeven zij de dwang der omstandigheden om tot volle ontplooiing van hun potenties te geraken. De Engelse taal heeft daarvoor een onvertaalbare uitdrukking: ‘He rose to the occasion’. De ‘occasion’ nu was de dood van zijn vriend. En Severn, wiens bijna niet te onthouden achternaam symbolisch is voor de vlakheid van zijn wezen, rees door deze gebeurtenis zo ver omhoog, dat hij voor altijd zichtbaar zal blijven, zo lang de mensheid leeft.
Toen Keats naar Italië zou vertrekken, was het duidelijk dat er iemand mee moest. Het was echter niet duidelijk, wie. Lamb, Brown, Haslam en Leigh Hunt, allen waren bezet. De onderneming was in die dagen ook geen kleinigheid. Alleen al voor de reis van Londen naar Pisa kon men, gaande over Napels, twee maanden uittrekken en dan moest er onderweg niet geteut worden. Wie wilde dit doen? En vooral: wie kòn? Dit wilde en kon alleen de man, die niet nodig was, op wie niet gewacht werd en die zonder spijt gemist kon worden. En zo raapte Severn snel wat ponden bijeen, pakte zijn koffertje en sprong aan boord. En daarmee sprong hij meteen de geschiedenis in. Had hij hiervan een vermoeden? Neen, ‘Most certainly he will recover’, schrijft hij vanuit Napels aan zijn zuster. En in de hotelkamer ernaast schrijft Keats: ‘I can bear to die’. Maar niet lang blijft Severn in die dwaling. En dag later meldt hij Haslam: ‘Keats heeft mij zojuist alles verteld en ligt nu uitgeput te slapen. Hij praatte uren aan een stuk en gooide er al zijn wanhoop uit. Ik deed mijn best om hem wat op te beuren en heb tenminste dit bereikt, dat hij eindelijk is ingeslapen.’
De passage is typerend voor de afstand, die er eigenlijk tussen de twee jonge mensen bestaat. Keats had, in zijn correspondentie tijdens de overtocht, al lang zijn beste vrienden over zijn toestand ingelicht. Het is eerst in Napels, in een vreemd hotel, als er niemand meer is aan wie hij zijn angst kwijt kan, dat hij deze vage, ondiepe figuur naast zich opmerkt. Pas door deze bekentenis is Severn als vriend bevestigd en begint hij zich bewust te worden van zijn mogelijkheden. Vanaf deze dag ook zal Keats, die zelf aan ‘fine doing’ boven ‘fine writing’ de voorkeur gaf, gezien hebben welk een kostbare reisgenoot hem meegegeven was op dat laatste barre stuk, dat hij nog van het leven had af te leggen.
Begin november komen beide vrienden in Rome aan en stappen meteen de mooiste kamers binnen, die in de stad te vinden zijn. Hoe ze die gevonden hebben, weet ik niet, maar het is een magnifiek punt, al vindt de verwende Severn het een ‘barbarous place’. Het kamertje van Keats is het kleinst. Het heeft niettemin twee ramen: het ene kijkt regelrecht in de ‘barcaccia’, de marmeren boot van Bernini, het andere ziet uit op de machtige cataract van Specchi’s ‘Spaanse Trappen’. Het vertrek van Severn is wat groter, doch heeft slechts één raam, waardoor hij de Piazza di Spagna onder zich ziet liggen. In dit uitbundige barok-décor heeft zich het stille drama afgespeeld, dat wij door Severns brieven op de voet volgen kunnen.
Het eerste bedrijf daarvan zet rustig in. Keats is zelfs in staat de honderd treden van de Scalinata op te klimmen, om daar, met de Trinità dei Monti en de obelisk in de rug, de Via Condotti in te kijken, ja, hij maakt kleine wandelingen in de aangrenzende tuin der Villa Borghese en ziet vanaf de Pincio over de huizenzee van Rome, met de parelende bellen van zijn koepels en het grijze schuim der Albaanse bergen op de achtergrond. Maar dan, op 10 december, wordt dit uitstel afgesneden. Keats staat niet meer op. Zijn rol is uitgespeeld, die van zijn vriend begint.
Joseph Severn, de artistieke dillettant, de man, die door zijn critici veel milder dan Keats beoordeeld was omdat hij geen gevaar opleverde, de eeuwige ‘belofte’, de altijd ‘in knop’ staande persoonlijkheid, vouwt plotseling zijn bladeren open en begint te bloeien. Zijn bloei duurt precies zo lang, als de bloem van de dichter nodig had om te verdorren: ruim twee maanden, en niet meer. Maar dit is voldoende. Een mens hoeft zich maar korte tijd volledig te realiseren om zijn bestaan te rechtvaardigen.
Ik kan nooit de kamertjes binnengaan, zonder hem in de geest bezig te zien. Daar, in die hoek, stond de huurpiano, waarop hij de lievelingsmelodieën van zijn vriend speelde, met één hand, ‘for the left side I gave up’; en daar, bij het raam, trachtte hij thee te zetten, de ellendige thee, die een 26-jarige jongeman van goeden huize gewoonlijk tot stand brengt. En daar, in de kamer van Keats, is de haard, de enige haard waarover zij beschikten en die de eigenaardigheid bezat van alle haarden, door beschaafde jongelieden aangemaakt, van zijn rook niet de schoorsteen, maar de kamer in te blazen. ‘What enrages me most is making the fire. I blow – blow – for an hour – the smoke comes fuming out – my kettle falls over the burning sticks – no stove – Keats calling to be with him – the fire catching my hands – and the door bell ringing... oh my God!’ En daar, in die hoek, stond het bed waarin Keats, met een flauwe glimlach misschien, lag te kijken naar de hopeloze pogingen van zijn vriend er een geregeld huishouden van te maken. ‘I light the fire, make his breakfast and sometimes am obliged to cook – make his bed and sweep the room...’
Was er geen bekwamer hand om dit te doen? Severn zelf geeft hierop antwoord in een van zijn brieven: ‘I can have these things done, but never at the time they ought and must be done.’ De betekenis hiervan wordt nog duidelijker uit een andere passage: ‘If I could leave Keats every day for just a short time, I would soon raise money by my painting; but he will not let me out of his sight.’ Hieruit blijkt dat, afgezien van geldgebrek, al deze dingen tersluiks moesten gedaan worden, in de weinige ogenblikken dat Keats sliep of hem in een flauwte even uit het oog verloor. De taak van Severn was naast hem te zitten, aanwezig te zijn, want Keats had... angst. Zonder steun van een religie vreesde hij het ontzettende, dat komen ging en had behoefte aan de nabijheid van een menselijk wezen, die hem geen ogenblik mocht verlaten. Zó had hij zelf, als jongen van veertien jaar, bij zijn stervende moeder gezeten.
‘There is a story of him as a very young child standing outside her door with a drawn sword, when he had heard that she was sick and must be left in quiet. And in her last illness this knightly protection was still there, though no longer in an bloodthirsty form: het sat up whole nights with her in a great chair, would suffer nobody to give her medicine, or even cook her food, but himself, and read novels to her in the intervals of ease...’
Hij eiste die ‘ridderlijke bescherming’ nu van zijn vriend en hij kreeg haar, ten volle en zonder bedenken, juist als hij haar zelf gegeven had. ‘17 december 4 uur ’s morgens: geen ogenblik ben ik van hem weg – ook ’s nachts wijk ik niet van mijn plaats, want dan komen de vreselijke angsten, waaruit ik hem moet opbeuren. Hij is even in slaap gevallen, de eerste keer sinds acht dagen, van louter uitputting. Ik hoop dat hij niet wakker zal worden voor ik dit geschreven heb, want je moet weten, mijn beste Brown, dat zijn toestand steeds erger wordt... En toch mag ik hem niet laten zien, hoe bedenkelijk het met hem staat.’
Keats was niet, wat men een ‘makkelijke zieke’ noemt. Hij vergde van zijn vriend, wat hij van zichzelf gevergd had, toen hij zijn moeder en later zijn broer tot het bittere einde had opgepast: volstrekte overgave aan die éne taak, met uitsluiting van elke andere bezigheid, hoe gering ook. ‘Negen nachten ben ik nu op geweest en ook overdag heb ik geen minuut zijn bed verlaten. Gisteren vond hij goed, dat ik hem even naar mijn kamer droeg om hem schoon goed aan te doen en zijn bed wat op te schudden. Ik praatte zelfs even over mijn schilderwerk en dit is alles, wat ik aan goed nieuws te melden heb...’ Zelfs brieven, die uit Engeland kwamen, mochten niet opengemaakt worden, het was of Keats al zijn energie wilde concentreren op het éne, dat nu te gebeuren stond, of hij de gehele kosmos wilde doen inkrimpen tot het ledikant, waarin hij lag en de vriend, die ernaast zat. Die vriend was het enige, dat hij toeliet in de steeds nauwere cirkel, die zich om hem sloot.
‘’s Nachts kan hij wel urenlang met gesloten ogen liggen, en opeens slaat hij ze wijd open, in een plotselinge twijfel en schrik (in a sudden doubt and horror); maar als hij dan mijn schaduw naast zich ziet zitten, vallen ze gerustgesteld weer toe. Telkens als hij me ziet, sluit hij zijn ogen, kijkt dan weer even en doet ze weer toe, net zo lang tot hij in slaap valt. Nu ik weet, wat mijn aanwezigheid voor hem betekent, blijf ik hier als vastgespijkerd zitten en verroer me niet...’
Severn smaakte de voldoening, dat zijn constante, onwrikbare aanwezigheid, zijn rotsvast op-wacht-staan langzamerhand zijn vriend tot berusting en bedaren bracht. ‘14 februari 1821. Er is niets in zijn toestand veranderd dan alleen dit, dat er een grote kalmte en vrede over hem gekomen is. Vannacht praatte hij uren aan één stuk, maar niet als vroeger: opstandig en verbitterd, maar kalm en vol overgave, tot hij rustig in slaap viel.’ Het is ook in deze nacht, dat Keats hem vroeg op zijn graf de regel te willen beitelen: ‘Here lies one whose name was writ in water.’ Severn, die een sterk, eenvoudig geloof bezat in een leven hierna, heeft die opdracht nochtans uitgevoerd, zoals een soldaat een bevel gehoorzaamt, maar wist van dr. Clark een boek te bemachtigen, geschreven door Jeremy Tailer, getiteld: ‘Holy Living and Dying’. In zijn ‘Recollections’ schrijft hij: ‘Hier las ik mijn arme Keats dagelijks uit voor, elke ochtend en elke avond, en het gaf hem een grote rust. En telkens als hij het sindsdien moeilijk had, vroeg ik hem of ik aan zijn bed mocht knielen en zachtjes bidden. Meestal stond hij dit toe en altijd kwam er dan een diepe vrede over hem.’
Van die eindeloze nachtwaken is in de sterfkamer nog een ontroerend document te vinden. Het is een tekening, of liever een gewassen sepia, die ligt onder een glasplaat, Keats slapend voorstellend. Severn maakte hem in de nacht van 28 januari, om zichzelf ‘wakker te houden’, gelijk de twee bevend geschreven regels aan de onderkant getuigen: ‘28 jan. – 3 o’clock after midnight drawn to keep me awake – a deadly sweat was on him all night.’ Rilke, die deze plek in 1914 bezocht, schreef er een gedicht op, ‘Zu der Zeichnung, John Keats im Tode darstellend’. De titel ervan bewijst, dat hij in de mening verkeerde de gestorven Keats voor zich te zien. Dit is een vergissing. Keats sluimert, het hoofd half naar zijn vriend gewend, als om ook in zijn slaap nog zeker te zijn dat hij er was.
Naarmate het einde nadert, wordt Keats kalmer, Severn geagiteerder. Het is of langzaam aan de rollen worden omgewisseld en het Keats is, die de leiding neemt. Als hij een tijd naar het voorlezen van de ander geluisterd heeft, zegt hij opeens: ‘Severn, I can see under your quiet look immense twisting and contending – you don’t know what you are reading – you are enduring for me more than I will have you.’ Een andere keer vraagt hij: ‘Heb je ooit in je leven iemand zien doodgaan? Niet? Dan heb ik met je te doen. Maar geloof me, het valt mee, ik zal rustig sterven. Wees flink, als het gebeurt, ik zal niet lastig zijn...’
Keats hield woord, in de nacht van 23 februari. Op de sterfkamer ligt nog de brief, die Severn de volgende dag aan Brown wilde schrijven, maar nimmer voltooide. De letters zijn nauwelijks te lezen, zo zwak is het schrift van de uitgeputte wachter. Dit staat er: ‘He is gone. He died with the most perfect ease. He seemed to go to sleep. On the 23d, Friday, at half past four, the approach of death came on. “Severn – I – lift me up, for I am dying. I shall die easy. Don’t be frightened. Thank God it has come.” I lifted him up in my arms and the phlegm seemed boiling in his throat. This increased till eleven at night, when he gradually sank into death, so quiet, that I still thought he slept. I will...’
Cetera desunt. Twee dagen later droeg een kleine stoet de toen nog onbekende dichter naar het Protestantse Kerkhof, even buiten de Aurelische muur. Severn moest ondersteund worden en zonk, toen het voorbij was, bewusteloos ineen. Zijn grote taak was volbracht. Hij leefde nog ruim 58 jaar en werd in 1881 naast zijn vriend begraven. De twee grafstenen staan dicht bijeen, zwijgende getuigen van een vriendschap, die de zwaarste proef doorstond. Op de rechter beitelde een Italiaanse steenhouwer de officiële titels, die Joseph Severn zich in zijn lange leven eerlijk verworven had: Brits consul te Rome en ridder in de Kroon van Italië. Maar bovenaan, vlak onder zijn naam, staat de titel, waardoor zijn gedachtenis zal blijven leven: ‘Devoted friend and death-bed companion of John Keats.’ Dat is zijn glorie. Ridder in de Kroon van Italië kunnen wij allen worden, als we twaalf jaar consul in Rome zijn. Maar om ridder te worden in de zeldzame orde der kameraadschap moet men drie maanden naast het bed van een vriend zitten en niet wijken, tot het voorbij is.
Bron: Godfried Bomans, Wandelingen door Rome, Amsterdam-Brussel, Elsevier, 1956, p. 73-82.
* * *
* (Noot J.A.) Heeft ook Shelley werkelijk aan de Piazza di Spagna gewoond?
* (Noot J.A.) W. Shakespeare, The Tempest, I, 2; vgl. De storm, vert. L.A.J. Burgersdijk, [1888], p. 364: ‘[...] geen zegepraal / Viert verderf; uit ieder deel / Schept de zee een rijk juweel.’
* (Noot J.A.) John Keats, The Complete Poems, Ed. by John Barnard, Londen etc., Penguin Books, 2003, p. 40.
* (Noot J.A.) Het blijft de moeite waard om hier de bladzijden naast te leggen die Godfried Bomans aan deze ‘laatste vier maanden van zijn leven’ gewijd heeft. Deze bladzijden volgen hierna onder IV.
* (Noot J.A.) John Keats, The Complete Poems, p. 84.
Reacties
Een reactie posten