Lord Byron (1788-1824), Een Fragment - A Fragment (1803)
Een Fragment
(1803)
Als, voor hun lichte hal, mijns vaders stem
Mijn geest bij name noemen zal, verheugd en zonder rem;
Als, zwevend op de storm, mijn vorm niet langer draalt
Of, donker in de mist, de zijkant van de berg afdaalt;
O! Laat mijn schaduw, ongeürnd en ongeëerd,
Verstoken van een plek waar eerdaags stof in stof verkeert!
Geen langgerekte rol, geen lofbeladen steen;
Mijn grafschrift zij mijn náám alleen:
Dat hij mijn lijf voorgoed laat onbekroond,
O! Dat geen and’re roem mijn daden nog beloont!
Hij en slechts hij verkiest de plek:
Híj zij mijn eeuw’ge faam of zij een godvergeten vlek.
A Fragment
(1803)
When, to their airy hall, my father’s voice
Shall call my spirit, joyful in their choice;
When, poised upon the gale, my form shall ride,
Or, dark in mist, descend the mountains side;
Oh! may my shade behold no sculptured urns,
To mark the spot where earth to earth returns!
No lengthen’d scroll, no praise-encumber’d stone;
My epitaph shall be my name alone:
If that with honour fail to crown my clay,
Oh! may no other fame my deeds repay!
That, only that shall single out the spot;
By that remember’d, or
with that forgot.
Bron: Byron, Poems, Selection by Peter Washington, London, David Campbell Publishers Ltd. (Everyman's Library - Pocket Poets), 1994, p. 22.
Reacties
Een reactie posten